Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking van 26 februari 2021. Na het niet tijdig beslissen op dit bezwaar stelde belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke en stelde beroep in. De heffingsambtenaar deed uiteindelijk op 29 januari 2022 uitspraak op bezwaar en kende een dwangsom toe wegens de vertraging.
Belanghebbende trok het beroep onder voorwaarde van vergoeding van proceskosten in en verzocht de rechtbank om een proceskostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank overwoog dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht, omdat het beroep enkel slaagde vanwege de toekenning van de dwangsom.
De rechtbank bepaalde dat de proceskostenvergoeding € 209,25 bedraagt, gebaseerd op een factor 0,25 vanwege het lichte gewicht van de zaak. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 november 2023.