Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- de moeder;
- de vader;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, met als grond dat het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door de thuissituatie. Er zijn meldingen van huiselijk geweld, drank- en drugsgebruik door de vader en een gebrek aan inzicht bij de ouders over de onveiligheid voor het kind.
Tijdens de zitting gaf de moeder aan steviger in haar schoenen te staan en open te staan voor hulp, terwijl de vader verklaarde gestopt te zijn met middelengebruik en zich wil hechten aan het kind. De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek vanwege de zorgelijke situatie.
De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de gronden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, mede door de meldingen bij Veilig Thuis en de instabiliteit in het gezin. Daarom wordt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden, zodat er regievoering en veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt. De komende periode zal worden onderzocht of een definitieve ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
Uitkomst: Het ongeboren kind wordt voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.