ECLI:NL:RBZWB:2023:8305
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding drugshandelverbod op openbare plaats
Eiser werd door de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), dat het kennelijk doel om op een openbare plaats drugs te verhandelen verbiedt. Op 5 december 2022 werd eiser samen met een bestuurder aangehouden in een auto waarin diverse drugs werden aangetroffen. De burgemeester stelde vast dat eiser de last had overtreden en legde een dwangsom van € 2.500 op.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt, omdat de drugs niet van hem waren en hij slechts een geldbedrag bij zich had. De burgemeester verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank beperkte het geding tot de vraag of eiser artikel 2:74 van Pro de APV had overtreden.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester voldoende concrete feiten en omstandigheden had vastgesteld, waaronder de aanwezigheid van drugs in gebruikershoeveelheden, contant geld in verschillende coupures, de locatie bekend om drugshandel en antecedenten van eiser. Deze feiten waren niet betwist. De rechtbank concludeerde dat eiser zich kennelijk met drugshandel op de openbare plaats had opgehouden en dat de invordering van de dwangsom terecht was.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de burgemeester de dwangsom mocht invorderen. Eiser kreeg geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter V.M. Schotanus op 23 november 2023.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de invordering van de dwangsom van € 2.500 wegens overtreding van artikel 2:74 van de APV.