Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 november 2023 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting op 1 mei 2021. De officier van justitie en de verdediging waren het eens over het ontbreken van voldoende bewijs om tot een veroordeling te komen.
De rechtbank beoordeelde het bewijs, waarbij zij het belang van aanvullend bewijs naast de verklaring van het slachtoffer benadrukte, conform artikel 342 lid 2 Sv Pro. Het DNA-onderzoek door het Maastricht Forensic Institute leverde geen belastend noch ontlastend bewijs op. Ook de verklaringen van de ouders van het slachtoffer over haar gemoedstoestand werden niet als voldoende steunbewijs gezien, mede vanwege het gebruik van alcohol en eerdere psychische problemen van het slachtoffer.
Gezien het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. De rechtbank veroordeelde het slachtoffer tevens in de kosten van verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor verkrachting.