Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A59 te Sprang-Capelle op 2 april 2022. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
De kantonrechter constateerde dat het beroepschrift te laat was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van zes weken. Hoewel de termijnoverschrijding verschoonbaar werd geacht, werd het beroep inhoudelijk behandeld. Betrokkene voerde aan dat het voertuig ten tijde van de overtreding was verhuurd, waardoor hij niet als bestuurder kon worden aangesproken.
Deze stelling werd echter onvoldoende onderbouwd met bewijs, zoals een geldige huurovereenkomst. Op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) blijft de kentekenhouder aansprakelijk tenzij een uitzondering wordt aangetoond. De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht aan betrokkene was opgelegd en zag geen reden tot matiging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.