Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 9 november 2020 werd verdachte verdacht van verkrachting en aanranding van aangeefster. De zaak is behandeld op 20 november 2023, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben toegelicht.
De officier van justitie achtte bewezen dat verdachte aangeefster onverhoeds heeft vastgepakt, haar in de hals heeft gekust en haar borst heeft betast, maar niet dat hij zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. De verdediging stelde dat er onvoldoende bewijs is en dat de verklaringen van aangeefster inconsistent zijn.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van aangeefster met voorzichtigheid moeten worden beoordeeld vanwege tegenstrijdigheden en twijfels over haar betrouwbaarheid. Het DNA-spoor op de borst bood onvoldoende steun, en het bewijs voor dwang ontbrak. Daarom kon niet worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
De rechtbank sprak verdachte vrij van beide feiten en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar schadevordering. De kosten van verdachte werden begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verkrachting en aanranding.