Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012, vastgesteld op een belastbaar inkomen van €266.167 met daarbij €22.589 aan belastingrente. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende diende vervolgens een beroepschrift in, maar dit werd na afloop van de beroepstermijn ontvangen.
De rechtbank onderzocht of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Belanghebbende voerde aan dat de plotselinge dood van zijn zoon en het ontbreken van een advocaat de vertraging veroorzaakten. De inspecteur was het hiermee eens, maar de rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Belanghebbende had eerder geprocedeerd en was bekend met de termijnen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en ging niet inhoudelijk in op de navorderingsaanslag. Belanghebbende kreeg het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.H. Bogert op 5 december 2023.