De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding waarin de man verzocht om opschorting van de executie van kinder- en partneralimentatiebetalingen in afwachting van het hoger beroep tegen een echtscheidingsbeschikking. De man stelde dat hij financieel niet in staat is de volledige alimentatie te voldoen vanwege het staken van zijn onderneming en een lager inkomen uit loondienst.
De vrouw betwistte het verzoek en stelde dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid of een financiële noodtoestand. Zij voerde aan dat de man voldoende inkomen heeft en dat zij zelf niet in haar levensonderhoud kan voorzien zonder de alimentatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek tot opschorting deels gegrond is omdat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij een acute financiële noodsituatie heeft en dat het voortzetten van de volledige executie zijn financiële situatie verder zou verslechteren. Daarom werd de executie geschorst voor het bedrag boven € 521,- voor de verzorging van het kind en € 889,- voor het levensonderhoud van de vrouw, conform de voorlopige voorzieningen. De kosten van het geding werden gecompenseerd.