ECLI:NL:RBZWB:2023:8486

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
AWB- 23_10633 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4:6 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing uitkeringsaanvraag op grond van de Participatiewet

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, welke door het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het oordeel dat verzoekster niet haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, ondanks haar betwisting en aangevoerde omstandigheden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang en gewijzigde omstandigheden die recht geven op bijstand. Verzoekster stelde dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had op het adres en gaf verklaringen over haar situatie, waaronder haar licht verstandelijke beperking en WLZ-indicatie.

Uit het onderzoek en het huisbezoek bleek echter dat er weinig persoonlijke bezittingen en levensmiddelen aanwezig waren, en dat de transacties van verzoekster voornamelijk buiten de woonplaats plaatsvonden. De voorzieningenrechter achtte de verklaringen onvoldoende om te concluderen dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het bezwaar tegen het besluit loopt nog, maar de voorlopige beoordeling geeft aan dat het bezwaar waarschijnlijk weinig kans van slagen heeft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de uitkeringsaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10633 PW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 december 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster], uit [woonplaats verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet.
1.1.
Orionis heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2023 afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, haar curator
[naam curator] en [naam vertegenwoordiger] namens Orionis.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
2. Aan verzoekster is door het dagelijks bestuur per 21 september 2021 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm alleenstaande die in een inrichting verblijft.
Per 1 maart 2022 is verzoekster verhuisd naar [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster]. Omdat zij vanaf die datum over zelfstandige woonruimte beschikt, heeft het college het recht op uitkering gewijzigd naar de norm alleenstaande.
Het dagelijks bestuur heeft een onderzoek ingesteld naar het recht op uitkering van verzoekster. De bevindingen van dat onderzoek hebben geleid tot het besluit van
17 augustus 2023. Met dat besluit heeft het dagelijks bestuur het recht op uitkering van verzoekster ingetrokken over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 mei 2023 en beëindigd per 1 januari 2023. Tevens is de aan verzoekster verstrekte uitkering over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 mei 2023 van haar teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat verzoekster de op haar rustende inlichtingenplicht zou hebben geschonden door niet te melden dat zij haar hoofdverblijf niet op het adres [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster] heeft. Met het besluit van 7 september 2023 heeft Orionis verzoekster een boete opgelegd. Het dagelijks bestuur heeft het besluit van 17 augustus 2023 bij besluit van
25 september 2023 herzien in die zin dat het recht op uitkering per 1 juni 2023 wordt beëindigd.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 17 augustus 2023 en 7 september 2023. Het dagelijks bestuur heeft dit bezwaar opgevat als mede gericht tegen het besluit van 25 september 2023. Dit bezwaar loopt nog.
Op 18 augustus 2023 heeft verzoekster opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd bij het dagelijks bestuur.
Op 26 september 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het dagelijks bestuur en verzoekster. Daarbij heeft verzoekster een aantal bankafschriften overgelegd. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden.
Met het besluit van 28 september 2023 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van verzoekster afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden. Uit de bankafschriften, de verklaring van verzoekster en het huisbezoek heeft het dagelijks bestuur de conclusie getrokken dat verzoekster niet haar hoofdverblijf aan [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] heeft.
Standpunt verzoekster
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft bepaald dat zij niet haar hoofdverblijf heeft in de woning aan [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster]. Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn volgens verzoekster wel degelijk aan de orde. Verzoekster heeft een licht verstandelijke beperking en een WLZ-indicatie. De door haar afgelegde verklaringen moeten in dit licht worden bezien. Verzoekster heeft een afdoende verklaring gegeven voor de pintransacties buiten Walcheren. Ook heeft zij aangegeven dat zij veel naar haar zus in [woonplaats zus] gaat omdat zij verzoekster nodig heeft en vice versa. Verzoekster heeft altijd haar hoofdverblijf in de woning gehad. De omstandigheden tijdens het huisbezoek waren anders dan tijdens het eerdere huisbezoek, want er was een grote hoeveelheid kleding en toiletspullen aanwezig. Er waren geen levensmiddelen aanwezig, maar verzoekster heeft uitgelegd dat zij op dat moment haar weekgeld nog niet had gekregen en haar bankpas kwijt was geraakt. Ook had verzoekster die ochtend nog gebruik gemaakt van de douche. Dat de daarbij door verzoekster gebruikte handdoek opgedroogd was, maakt niet dat gesteld kan worden dat deze niet die ochtend is gebruikt. Ook over de afwezigheid van andere schoenen in de woning heeft verzoekster een afdoende verklaring gegeven, namelijk dat zij maar één paar schoenen heeft. Het dagelijks bestuur heeft verder geen onderzoek uitgevoerd. Er is geen buurtonderzoek gedaan en ook geen onderzoek ingesteld naar het water- en elektriciteitsgebruik.
Toetsingskader voorzieningenrechter
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
5. Verzoekster heeft aangegeven dat zij, bij gebrek aan andere bronnen van inkomsten, haar vaste lasten niet meer kan voldoen, de kans bestaat dat zij haar huur niet meer kan voldoen en als gevolg daarvan haar kamer zal moeten ontruimen.
5.1
Het dagelijks bestuur heeft het spoedeisend belang betwist, omdat uit verzoeksters bankafschriften blijkt dat de huur tot en met oktober 2013 is voldaan. Voorts heeft het dagelijks bestuur gewezen op het saldo op verzoeksters beheerrekening. Dit zou volgens het dagelijks bestuur voldoende zou moeten zijn om de komende periode de huur en andere vasten lasten te voldoen.
5.2
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij bijzondere bijstand ontvangt om haar curator te betalen. Deze curator heeft een te hoog tarief in rekening gebracht. Het teveel ontvangen bedrag - ongeveer € 6.000 - is door de curator teruggestort op de rekening van verzoekster. Verzoekster moet dit bedrag terugbetalen aan het dagelijks bestuur, maar gebruikt dit bedrag op dit moment om van te leven.
5.3
Uit de verklaring van verzoekster volgt dat zij een schuld opbouwt jegens het dagelijks bestuur. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster daarmee een spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening.
Afwijzing aanvraag
6. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag om bijstand tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. In dit geval loopt de te beoordelen periode dus van 18 augustus 2023 tot en met 28 september 2023.
6.1
Het dagelijks bestuur heeft artikel 4:6, tweede lid van de Awb aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Omdat het gaat om een aanvraag na een eerdere intrekking is dit niet juist. [1] Het besluit berust daarom op een onjuiste grondslag. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de grondslag in de beslissing op bezwaar zal worden gewijzigd.
6.2
Het gaat hier om de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand nadat de bijstandsuitkering eerder is ingetrokken. Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat hij of zij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.
6.3
Verzoekster is hier naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat tot 25 augustus 2023 het merendeel van de transacties nog steeds buiten [woonplaats verzoekster] is gedaan. Verzoekster heeft gesteld dat zij vanaf begin september 2023 weer in [woonplaats verzoekster] zou verblijven, maar dit blijkt niet uit de bevindingen tijdens het huisbezoek. Op een pak drinken waarvan de houdbaarheidsdatum was overschreden na, zijn er in de woning geen levensmiddelen van verzoekster aangetroffen. Verder waren er in haar kamer geen persoonlijke spullen van verzoekster aanwezig. Ook bevond nagenoeg alle kleding zich in tassen en kon zij - op een borstel en flesje haarserum na - geen toiletartikelen tonen. Dat verzoekster nog geen tijd had gehad om de kleding uit te pakken en in de kasten [2] te leggen, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk, gelet op de verklaring van verzoekster dat zij alweer enkele weken in de woning zou verblijven. Hoewel de voorzieningenrechter het niet onaannemelijk acht dat verzoekster maar over één paar schoenen beschikt, kan dit enkele feit niet afdoen aan de overige bevindingen tijdens het huisbezoek, zoals de omstandigheid dat de handdoek die verzoekster enkele uren voor het huisbezoek zou hebben gebruikt droog was. De stelling dat verzoekster licht verstandelijk beperkt is, is niet nader toegelicht en onderbouwd met (medische) stukken. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom verzoekster niet aan haar verklaring tegenover het dagelijks bestuur zou kunnen worden gehouden. Nu het aan verzoekster is om aan te tonen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om haar te volgen in haar stelling dat het dagelijks bestuur nader onderzoek, zoals een buurtonderzoek, had moeten verrichten. Dat het voor verzoekster lastig is om aan te tonen dat zij in de periode in geding wel in de kamer verbleef, onder meer omdat de huurprijs inclusief gas, water en licht is, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander voorlopig oordeel.
6.4
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake van gewijzigde omstandigheden is op grond waarvan verzoekster thans wel in aanmerking komt voor een uitkering.

Conclusie en gevolgen

7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit, zij het met een andere grondslag, naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar stand zal houden. Het bezwaar heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dus weinig kans van slagen, zodat er geen aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen.
7.1
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Op de foto’s zijn een vrijwel lege boekenkast en een vakkenkast te zien.