Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
- [factuurnummer 1] , gedateerd 27 juni 2020, ter hoogte van € 1.172,19;
- [factuurnummer 2] , gedateerd 21 juli 2020, ter hoogte van € 1.864,83;
- [factuurnummer 3] , gedateerd 31 juli 2020, ter hoogte van € 557,81.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, een leverancier van verse groente en fruit, vordert betaling van drie facturen uit 2020 aan gedaagde, een bakkerij, die deze facturen onbetaald heeft gelaten. Eiser stelt dat gedaagde de bestellingen heeft geplaatst en dat de leveringen hebben plaatsgevonden. Gedaagde voert verweer dat de bestellingen niet door hem zijn geplaatst en dat hij niet bekend was met de overdracht van de vordering naar de rechtsopvolgende BV.
De kantonrechter overweegt dat ondanks de rechtsvormwijziging aan de zijde van eiser, het niet nodig is om te beslissen of de vordering rechtsgeldig is overgegaan. De kernvraag is of gedaagde de bestellingen heeft geplaatst. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, mede omdat de faxbestellingen geen jaartal bevatten en niet overeenkomen met de factuurdata en bonnummers.
Het standpunt van eiser dat de handelswijze altijd zo was, is onvoldoende om de verschillen te verklaren. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat gedaagde de bestellingen heeft geplaatst en hoeft hij niet te betalen. De vordering, inclusief rente en incassokosten, wordt afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die voor gedaagde nihil worden vastgesteld.
Uitkomst: Vordering tot betaling van facturen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bestellingen en overeenkomst.