ECLI:NL:RBZWB:2023:8595

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
8 december 2023
Zaaknummer
AWB- 23_9646 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering bijstandsuitkering wegens onvoldoende gegevens

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering af te wijzen omdat hij onvoldoende gegevens heeft verstrekt over zijn vermogen in het buitenland.

Na diverse verzoeken om aanvullende bewijsstukken, waaronder bankafschriften en documenten over de verkoop van onroerend goed in het buitenland, heeft het college de aanvraag afgewezen. Verzoeker stelde dat hij financieel zwaar had en dat hij de gevraagde stukken had overgelegd of zou overleggen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie, mede omdat verzoeker zijn vaste lasten kan betalen en gebruikmaakt van de bankrekening van zijn zoon. Het college verwacht binnen drie weken een besluit op bezwaar te nemen. Daarom is er geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en geeft geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/9646 PW VV

uitspraak van 7 december 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(het college), verweerder.

Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 maart 2023 (bestreden besluit) van het college over de weigering om aan hem een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) toe te kennen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 november 2023. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
[namen vertegenwoordigers] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Verzoeker ontving met ingang van 1 januari 2010 een bijstandsuitkering.
2.2.
In 2018, 2019 en 2021 heeft het college administratiefrechtelijke onderzoeken verricht. Die onderzoeken hadden betrekking op verzoekers onroerende goederen in [land van herkomst] . Door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) is in [land van herkomst] onderzoek gedaan. Daaruit is gebleken dat verzoeker sinds 7 april 2010 een perceel bouwgrond in de deelgemeente [naam gemeente] in de stad [plaatsnaam] heeft. De waarde daarvan is bepaald op € 118.326,-. Dat perceel is volgens het IBF onverkoopbaar in afwachting van een rechterlijke uitspraak. Over de periode 10 juni 2015 tot 12 november 2018 had verzoeker een appartement in de gemeente [naam gemeente] met een waarde van [bedrag] Op 12 november 2018 heeft verzoeker dit appartement voor [bedrag] verkocht aan zijn zoon [naam zoon] .
2.3.
Met de besluiten van 11 maart 2022 en 2 mei 2022 heeft het college verzoekers bijstandsuitkering over de periode van 27 april 2010 tot 27 april 2019 en met ingang van
25 maart 2022 ingetrokken vanwege vermogen boven de vermogensgrens, omdat in strijd met de inlichtingenplicht geen gegevens hierover zijn verstrekt en gevraagde gegevens niet zijn overgelegd. Met het besluit op bezwaar van 10 oktober 2022 heeft het college de bezwaren van verzoeker tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dat beroep op 31 oktober 2023 ongegrond verklaard. (zaaknummer 22/5428)
2.4.
Op 25 juli 2022 heeft verzoeker weer een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend.
2.5.
Met de brief van 5 augustus 2022 heeft het college bij verzoeker verschillende gegevens opgevraagd. Het gaat om onder meer bewijsstukken over de bezittingen in [land van herkomst] : de rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat verzoeker toestemming heeft voor de verkoop van het perceel [naam perceel] en bewijsstukken waaruit de eerste betalingen van de koper blijken. Verder verzoekt het college om alle bankafschriften op verzoekers naam of waarover hij kan beschikken. Als een rekening is opgeheven dient een bewijs van opheffing te worden overgelegd. Tot slot verzoekt het college om bewijsstukken met betrekking tot hoe in het onderhoud is voorzien vanaf
25 maart 2022.
2.6.
Verzoeker heeft vervolgens verschillende bankafschriften overgelegd en een voorlopige koopovereenkomst van het perceel [naam perceel] van 22 juni 2022.
2.7.
Met het besluit van 19 september 2022 heeft het college verzoekers aanvraag niet in behandeling genomen omdat er onvoldoende gegevens zijn. Verschillende gegevens zijn volgens het college niet overgelegd.
2.8.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.9.
Met het besluit van 2 februari 2023 heeft het college dit bezwaar gegrond verklaard en verzoekers aanvraag alsnog in behandeling genomen.
2.10.
Met de brief van 16 februari 2023 is verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld om de noodzakelijke gegevens te verstrekken. Het gaat om:
  • Stand van zaken in de procedure over de bouwgrond [naam perceel] . Verzoeker dient bewijsstukken te verstrekken over de lopende rechtszaak en als er al een uitspraak is geweest de uitspraak.
  • Bewijsstukken waaruit de betalingen van de koper van [naam perceel] blijken, de eigendomspapieren van dit perceel en stukken van de getaxeerde waarde.
  • Alle bankafschriften vanaf 14 juli 2022.
  • De openingsovereenkomst van [bankrekeningnummer] en alle afschriften vanaf 1 maart 2022.
  • Objectieve en verifieerbare gegevens over de manier waarop verzoeker en zijn gezin vanaf 25 maart 2022 in hun onderhoud hebben voorzien.
Op 15 maart 2023 heeft het college gerappelleerd.
2.11.
Met de brief van 5 augustus 2022 heeft verzoeker verschillende stukken overgelegd. Verzoeker heeft aangegeven dat hij maar twee afschriften van [bankrekeningnummer] kan overleggen. Voor de andere afschriften moet hij naar [land van herkomst] .
2.12.
Met het bestreden besluit van 31 maart 2023 heeft het college verzoekers aanvraag om bijstand afgewezen omdat het recht volgens het college niet is vast te stellen. Verzoeker heeft onvoldoende informatie verstrekt.
2.13.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij vermeldt hij dat hij in mei 2023 naar [land van herkomst] zal gaan om bewijsstukken te halen.
2.14.
Op 12 september 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Daarin geeft verzoeker onder meer aan dat hij gebruik maakt van de bankrekening van zijn zoon en dat hij bij die rekening kan. Verder heeft hij verklaard dat zijn zoon hem best veel geld geeft en ook anderen hebben geld gestort via zijn zoon. Verzoekers zoon woont bij hem. In mei 2023 is verzoeker naar [land van herkomst] geweest.
2.15.
Met de brief van 18 september 2023 heeft het college aan verzoeker aanvullende gegevens gevraagd. Het gaat om:
  • Stand van zaken over de procedure over [naam perceel] .
  • Bewijsstukken van de gemeente dat perceel nummer 8 en 12 hetzelfde zijn.
  • Het taxatierapport van perceel nummer 12.
  • Als verzoeker niet kan aantonen dat perceel nummer 8 en 12 hetzelfde zijn: ook een taxatierapport van nummer 8.
  • Bewijsstukken waaruit blijkt wat verzoeker over de periode vanaf 1 juni 2022 heeft ontvangen voor de verkoop van de woning in [land van herkomst].
  • De openingsovereenkomst en afschriften van de [bankrekeningnummer] vanaf 1 maart 2022 tot 15 maart 2023.
  • Bewijs van beëindiging van de bankrekening bij [naam bank] .

Verzoek

3. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij al lang wacht op een uitkering en dat hij het financieel zwaar heeft. Volgens verzoeker heeft hij alle gevraagde stukken over zijn perceel in [land van herkomst] overgelegd. Perceel nummer 8 en nummer 12 zijn hetzelfde perceel. Het perceel is verkocht.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Oordeel van de voorzieningenrechter

5.1.
De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of de verwachting bestaat dat het besluit van het college, waarbij verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering is afgewezen, in bezwaar standhoudt.
5.2.
Voordat de voorzieningenrechter aan deze vraag kan toekomen dient echter eerst vast te staan dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Pas indien er een spoedeisend belang is kan er reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtspraak ten aanzien van het spoedeisend belang is zeer strikt. Bij deze beoordeling is van belang of van verzoeker gevergd kan worden dat hij het besluit op bezwaar afwacht. Een financieel belang op zichzelf is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan wel het geval zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie.
5.3.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van een financiële noodsituatie. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat hij zijn vaste lasten kan betalen. Verzoeker heeft op zitting ook erkend dat hij daarin geen achterstand heeft. Van dreigende huisuitzetting of het stopzetten van gas/water/elektra is dan ook geen sprake. Verzoeker heeft op zitting verder verklaard dat hij zorg-, huur- en energietoeslag ontvangt en gebruik maakt van de rekening van zijn zoon. Het saldo op zijn eigen rekening is, alhoewel gering, positief. Daarnaast volgt uit de koopovereenkomst van [naam perceel] van 22 juni 2022 dat verzoeker in verband met de verkoop van dit perceel maandelijks tot 15 april 2024 een bedrag van [bedrag] – van de verkoper zal ontvangen. Onder deze omstandigheden is van een financiële noodsituatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
Daarnaast heeft het college ter zitting meegedeeld dat het besluit op bezwaar op korte termijn – zeer waarschijnlijk binnen 3 weken – te verwachten is. Gelet op deze korte termijn in combinatie met de omstandigheid dat verzoeker op dit moment niet in een financiële noodsituatie verkeert, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van verzoeker kan worden gevergd dat hij het besluit op bezwaar afwacht.
5.4.
Nu verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter geen inhoudelijk voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Conclusie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 7 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.