ECLI:NL:RBZWB:2023:8624

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
BRE 22_5145
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 58 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering belastingaanslag box 3 2018

Belanghebbende heeft bij de inspecteur een verzoek ingediend tot ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, met name gericht op herziening van de box 3-heffing. De inspecteur wees dit verzoek af omdat de aanslag onherroepelijk vaststaat en de onjuistheid voortvloeit uit jurisprudentie die na onherroepelijkheid is gewezen.

Belanghebbende stelde dat zij recht had op vermindering op grond van het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar een andere belastingplichtige die wel een vermindering had gekregen. De rechtbank oordeelde echter dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een vergelijkbare situatie en ongelijke behandeling zonder objectieve rechtvaardiging.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de aanslag onverminderd in stand. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W.C.C. Koreman-de Bok op 11 december 2023.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de box 3-heffing 2018 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/5145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 oktober 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 mei 2020 voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering en het daartegen gemaakte bezwaar afgewezen. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank de zaak zonder mondeling behandeling afgedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de heffing in box 3 terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Met dagtekening 15 februari 2022 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 ambtshalve te verminderen omdat abusievelijk niet alle specifieke zorgkosten en advocaatkosten in de aangifte zijn opgenomen. Verder verzoekt belanghebbende om herziening van de heffing in box 3.
5. Bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2022 heeft de inspecteur de aftrek van specifieke zorgkosten en advocaatkosten toegekend. Het verzoek om herziening van de heffing in box 3 heeft de inspecteur afgewezen. Bij beschikking met dagtekening 25 mei 2022 heeft de inspecteur de advocaatkosten in aftrek toegestaan maar de specifieke zorgkosten niet.
6. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 oktober 2022 heeft de inspecteur de specifieke zorgkosten alsnog toegekend en het verzoek om herziening van de heffing in box 3 afgewezen. De inspecteur heeft met dagtekening 26 oktober 2022 een en ander geformaliseerd in een beschikking.

Motivering

7. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). [1] Het verzoek van 15 februari 2022 heeft de inspecteur ontvangen binnen de genoemde vijfjaarstermijn. Echter, de uitvoeringsregeling schrijft de inspecteur voor niet ambtshalve te verminderen als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan. [2] Nu belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2018 staat deze onherroepelijk vast. Dat de aanslag onjuist zou zijn volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. [3] Er is hier sprake van jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan. Dan schrijft de uitvoeringsregeling de inspecteur voor om de aanslag niet ambtshalve te verminderen. De inspecteur heeft dus in lijn met de uitvoeringsregeling het standpunt ingenomen dat het verzoek van belanghebbende moet worden afgewezen. [4]
8. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslag voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen omdat een andere belastingplichtige een vermindering heeft gehad. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een geanonimiseerde beschikking IB/PVV 2018 overgelegd waaruit blijkt dat die belastingplichtige een vermindering heeft gekregen omdat de inspecteur het box 3-inkomen opnieuw heeft berekend vanwege de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021.
9. De rechtbank merkt deze stelling van belanghebbende aan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid, of een begunstigend oogmerk, en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, dan wel dat sprake is van schending van de meerderheidsregel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de situatie waarnaar zij verwijst vergelijkbaar is met haar situatie. Immers is niet duidelijk welke procedurele stappen zijn gezet in de procedure van de anonieme beschikking waar belanghebbende zich op beroept. De overgelegde beschikking alleen is dus onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een gelijk geval als dat van belanghebbende. De blote stelling van belanghebbende dat uit de tekst op de geanonimiseerde beschikking blijkt dat deze niet is gebaseerd op een bezwaar, doch uit eigen beweging tot de vermindering is gekomen maakt dit niet anders. Uit de geanonimiseerde beschikking kan de rechtbank dat niet afleiden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 11 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtsprtaak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 45aa, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en artikel 58, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
2.Dit volgt uit artikel 45aa, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
3.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
4.Vgl. Hoge Raad, 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.