Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €292.000. De rechtbank beoordeelde dat de waardering was gebaseerd op een taxatiematrix waarbij de indexering van vergelijkingsobjecten niet inzichtelijk was gemaakt, waardoor de onderbouwing onvoldoende was.
Omdat de heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast voldeed en belanghebbende zijn lagere waarde van €270.000 niet aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €285.000. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met ongeveer acht maanden was overschreden.
De rechtbank kende daarom een immateriële schadevergoeding toe van €100, verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden. Daarnaast werd het griffierecht en proceskosten van €1.133 aan belanghebbende toegekend. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.