ECLI:NL:RBZWB:2023:8700

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2023
Publicatiedatum
13 december 2023
Zaaknummer
AWB- 23_731 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake aanwijzing aanbiedplaats afval afgewezen

Opposant stelde beroep in tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Breda over het uitblijven van een besluit tot het realiseren van een aanbiedplaats voor containers aan een locatie in Breda. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het college inmiddels formeel de locatie had aangewezen.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposant verzet in, stellende dat het college zelf de afwezigheid van een besluit had veroorzaakt en dat er nog steeds procesbelang bestond vanwege vermeende strijdigheid met algemene bestuursbeginselen en onaanvaardbare termijnen.

De rechtbank oordeelde dat opposant onvoldoende concreet procesbelang had aangetoond en dat het resultaat dat opposant met zijn bezwaar wilde bereiken inmiddels was bereikt door het aanwijzingsbesluit. Klachten over de locatie en termijnen kunnen nog aan de orde komen in de reguliere bezwaar- en beroepsprocedures tegen dat besluit.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/731 VEROR V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2023 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant.

Procesverloop

1. Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) van 15 december 2022 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
1.1
Bij uitspraak van 24 augustus 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant geen procesbelang meer had bij het ingestelde beroep. Opposant heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het uitblijven van een besluit tot het realiseren van een aanbiedplaats voor containers aan de [straat] te [plaats] .
Omdat het college op 27 februari 2023 de locatie vaan de [straat] te [plaats] formeel heeft aangewezen als locatie voor het aanbieden van inzamelmiddelen voor huishoudelijk afval, heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.
2.1
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.2
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de niet-ontvankelijkverklaring door het college berust op de afwezigheid van een voorafgaand besluit. Die afwezigheid is door het college zelf gecreëerd en kan niet ten nadele van opposant worden aangevoerd. Daarnaast was en is er volgens opposant procesbelang in het uitblijven van een toetsing betreffende het bij voortduring tijdens de procedure tot dusverre ingebrachte argument, te weten strijdigheid met algemene rechtsbeginselen van bestuur.
Tot slot zijn volgens opposant de tijdstippen respectievelijk de termijnen van besluitvorming zowel maatschappelijk als ten dele juridisch onaanvaardbaar.
2.3
De rechtbank is van oordeel dat opposant in verzet geen argumenten heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht. Met wat opposant in verzet aanvoert, heeft hij nog altijd niet aannemelijk gemaakt welk belang hij heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het uitblijven van een aanwijzingsbesluit. De stelling dat er sprake is van strijdigheid met algemene beginselen van behoorlijk bestuur is onvoldoende concreet en te algemeen gesteld en maakt nog steeds niet inzichtelijk welk procesbelang eiser nog heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
Ter voorlichting van opposant wijst de rechtbank nog op het volgende. Het bezwaar van opposant was gericht tegen het uitblijven van een aanwijzingsbesluit nadat al feitelijk in de inrichting van een aanbiedplaats voor afval was voorzien. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk geacht, omdat dat besluit tot aanwijzing van een aanbiedplaats op eigen initiatief van het college zou worden genomen en opposant daarom (nog) geen rechtstreeks belanghebbende werd geacht.
Het beroep van belanghebbende is gericht tegen het besluit waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk werd geacht. Omdat tijdens de behandeling van het beroep inmiddels een besluit tot aanwijzing van de aanbiedplaats is genomen, is het resultaat dat opposant met zijn bezwaar op het oog had, bereikt. Enig ander (proces-)belang is niet gesteld of gebleken.
Opposant kon tegen dat aanwijzingsbesluit inhoudelijk bezwaar maken bij het college en heeft dat blijkens de informatie in het dossier ook zelfstandig gedaan. Alleen in die bezwaar- en eventueel daarop volgende beroepsprocedure zouden de klachten die opposant kennelijk nog heeft over het niet tijdig nemen van het aanwijzingsbesluit en over de locatiekeuze voor de aanbiedingsplaats nog aan de orde kunnen komen.

Conclusie

2.4
In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 augustus 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
2.5
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.