Belanghebbende, aandeelhouder en bestuurder van een vennootschap, werd naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd over de jaren 2016 tot en met 2019 wegens niet-toepassing van bijtelling privégebruik van een bestelauto. De inspecteur legde tevens boeten en belastingrente op. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende inhoudingsplichtig is voor het voordeel uit privégebruik, omdat hij feitelijk de bestelauto kon gebruiken en de beschikking daarover had.
Belanghebbende voerde aan dat de bestelauto uitsluitend voor zakelijke doeleinden bestemd was en dat een verbod op privégebruik gold. De rechtbank verwierp dit, omdat de bestelauto niet uitsluitend geschikt was voor goederenvervoer en het verbod onvoldoende werd gehandhaafd. Omdat geen rittenadministratie werd bijgehouden, mocht de inspecteur het voordeel bijtellen.
De boetebeschikkingen werden echter vernietigd omdat de inspecteur niet overtuigend had aangetoond dat belanghebbende opzettelijk of voorwaardelijk opzettelijk de bijtelling niet toepaste. De rechtbank kende proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht moest vergoeden.