ECLI:NL:RBZWB:2023:8765

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
BRE-22_5888
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 70ea Invorderingswet 1990Art. 26 lid 2 Invorderingswet 1990Art. 1b lid 2 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990Art. 1 lid 2 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op kwijtscheldingsverzoek, dwangsom afgewezen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om kwijtschelding van een conserverende aanslag. Dit verzoek was ingediend op 17 maart 2022 en ontvangen op 18 maart 2022 door de ontvanger van de belastingdienst.

Tijdens de procedure heeft de ontvanger alsnog een beslissing genomen op het verzoek, waardoor het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende verzocht vervolgens om vaststelling van een dwangsom wegens de vermeende overschrijding van de beslistermijn.

De rechtbank wees dit verzoek af omdat het kwijtscheldingsverzoek is gebaseerd op de Invorderingswet 1990 en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, waarop de dwangsombepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn. Hierdoor bestaat geen grond voor toekenning van een dwangsom.

De rechtbank kende wel een proceskostenvergoeding toe van € 837 aan belanghebbende vanwege de procedure en beval terugbetaling van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was.

Uitkomst: Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een dwangsom is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5888
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , [land] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. G.J.M.E. de Bont),
en
de ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de ontvanger volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van 17 maart 2022, ontvangen bij de ontvanger op 18 maart 2022.
1.2.
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

2.Geschil in beroep

2.1.
In geschil is of de (fiscale) bestuursrechter bevoegd is te oordelen over het al dan niet tijdig beslissen op het verzoek om kwijtschelding en of er een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Belanghebbende heeft verzocht om kwijtschelding van een conserverende aanslag. Omdat volgens belanghebbende de ontvanger niet tijdig heeft beslist op dit verzoek, heeft hij een beroep ingediend om de ontvanger ertoe te bewegen alsnog te beslissen.
Lopende de procedure heeft de ontvanger alsnog beslist op het verzoek van belanghebbende. In zoverre is het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Belanghebbende heeft daaropvolgend verzocht of de rechtbank de in zijn ogen verbeurde dwangsom wil vaststellen.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Dit verzoek is namelijk gebaseerd op de veronderstelling dat op het kwijtscheldingsverzoek dat belanghebbende heeft gedaan de dwangsombepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zijn. Dat is echter niet zo. Het verzoek om kwijtschelding geschiedt namelijk op basis van artikel 70ea van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) in verbinding met artikel 26, lid 2 van de IW en artikel 1b, lid 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. In artikel 1, lid 2 van de IW is bepaald dat op die wet de bepalingen van (onder meer) titel 4.1 van de Awb niet van toepassing is. Om die reden is er geen mogelijkheid om een dwangsom toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom dus af.
3.2.
Omdat lopende het beroep alsnog is beslist, ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Deze wordt vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met wegingsfactor 1).
3.3.
Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht dat is betaald terug te betalen aan belanghebbende.

4.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een dwangsom af;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 837;
  • draagt de griffier op het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 15 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.