ECLI:NL:RBZWB:2023:8786

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
10758547 VV EXPL 23-96 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling facturen in kort geding

Tussen eiser en gedaagde is op 30 juni 2023 een overeenkomst tot dienstverlening gesloten, waarbij eiser juridische adviesdiensten zou leveren aan gedaagde. Eiser factureerde twee bedragen in juli en augustus 2023, die ondanks herhaalde aanmaningen onbetaald bleven. Gedaagde erkende de vordering maar verzocht om een betalingsregeling.

De kantonrechter overwoog dat bij een vordering tot betaling in kort geding terughoudendheid geboden is, maar dat het niet betwisten van de vordering en het niet nakomen van betalingsbeloften voldoende spoedeisend belang oplevert. De belangenafweging wees uit dat eiser recht heeft op een executoriale titel en dat gedaagde geen onaanvaardbaar restitutierisico loopt.

De rechter wees de hoofdsom van €4.452,80 toe, inclusief contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten conform het toepasselijke Besluit. De gevorderde wettelijke rente over de incassokosten en proceskosten werd eveneens toegewezen. Een betalingsregeling kan alleen tussen partijen worden overeengekomen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10758547 \ VV EXPL 23-96
Vonnis in kort geding van 13 november 2023
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.A.A. de Kruijf,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend bij haar directeur, de heer [naam] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 7 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is op 30 juni 2023 een overeenkomst tot het verrichten van dienstverlening door [eiser] tot stand gekomen. De tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een schriftelijke opdrachtbevestiging. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard.
2.2.
[eiser] heeft op 25 juli 2023 een bedrag van € 2.635,38 en op 25 augustus 2023 een bedrag van € 1.817,42 aan [gedaagde] gefactureerd.
2.3.
[gedaagde] heeft de facturen van [eiser] , ondanks herhaalde sommaties daartoe, onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.343,34, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, waarbij op [eiser] de verplichting rustte om [gedaagde] te adviseren in een juridisch geschil met een klant van [gedaagde] en waarbij op [gedaagde] een betalingsverplichting rustte om de door [eiser] verrichtte werkzaamheden tegen het overeengekomen tarief te vergoeden. Talloze betalingsherinneringen, aanmaningen en sommaties hebben er niet toe geleid dat [gedaagde] op de op haar rustende betalingsverplichting heeft voldaan.
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering van [eiser] maar wil graag een betalingsregeling.

4.De beoordeling

4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.2.
Mede gelet op het feit dat [eiser] de geldvordering niet betwist, en [gedaagde] meermaals betalingstoezeggingen heeft gedaan, maar deze niet is nagekomen, heeft [eiser] voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering.
4.3.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. [eiser] heeft, mede gelet op het feit dat [gedaagde] meerdere betalingstoezeggingen heeft gedaan, maar deze niet is nagekomen, belang bij het verkrijgen van een executoriale titel. Voorts is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] een onaanvaardbaar restitutierisico zou lopen.
4.4.
Nu [gedaagde] de vordering van [eiser] heeft erkend, is het in hoofdsom gevorderde bedrag van € 4.452,80 toewijsbaar.
4.5.
Tegen de door [eiser] (primair) gevorderde contractuele rente over de hoofdsom (tot en met 26 oktober 2023 berekend op een bedrag van € 229,39) heeft [gedaagde] geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze eveneens toegewezen kan worden.
4.6.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van
€ 661,15. De voorzieningenrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
4.7.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar zoals gevorderd.
4.8.
Voor zover [gedaagde] een betalingsregeling vraagt, overweegt de voorzieningenrechter dat zij niet dwingend aan partijen een betalingsregeling kan opleggen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan een betalingsregeling alleen tussen partijen zelf tot stand worden gebracht. Indien [gedaagde] met betrekking tot het in de onderhavige procedure toe te wijzen bedrag een betalingsregeling wenst te treffen, zal zij hiertoe (nogmaals) contact dienen op te nemen met [eiser] .
4.9.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
- kosten dagvaarding € 106,73
- griffierecht € 487,00
- salaris gemachtigde € 529,00
- nakosten € 132,00
-----------
Totaal € 1.254,73
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.682,19 aan hoofdsom en verschenen rente, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over € 4.452,80, met ingang van 27 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 661,15 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.254,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2023.