ECLI:NL:RBZWB:2023:8833

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 november 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
C/02/415415 / JE RK 23-1912
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArtikel 7 lid 1 Brussel II-terArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling door ouderconflicten

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen van Jeugdbescherming Brabant voor een periode van twaalf maanden. De kinderen wonen bij hun moeder, terwijl het contact met de vader sinds augustus 2023 is stopgezet vanwege conflicten en zorgen over diens gedrag.

De Raad stelde dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door een gespannen opvoedsituatie met frequente ruzies tussen de ouders, waarbij ook politie betrokken was. De vrijwillige hulpverlening bleek onvoldoende effectief. De moeder staat niet achter omgang met de vader vanwege vermoedens van drugsgebruik en de emotionele reactie van de kinderen.

De vader wenst contact met de kinderen maar erkent de gespannen situatie en staat niet achter een ondertoezichtstelling, wel achter vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is.

Op grond van artikel 1:255 BW Pro is vastgesteld dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, de ouders onvoldoende zorg accepteren, maar binnen een aanvaardbare termijn met hulpverlening de opvoeding weer kunnen dragen. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om passende hulpverlening in te zetten en de doelen te bereiken, waaronder veilige opvoeding en herstel van contact met de vader.

De beschikking wordt voor twaalf maanden gegeven en uitvoerbaar bij voorraad verklaard om onmiddellijke uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De minderjarige kinderen worden voor twaalf maanden onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door ouderlijke conflicten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/415415 / JE RK 23-1912
Datum uitspraak: 23 november 2023
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
en
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C. Bayrak te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlage(n) van de Raad van 30 oktober 2023, ingekomen bij de griffie op 30 oktober 2023.
Op 23 november 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door een telefonische tolk in de Engelse taal;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • twee zittingsvertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was aanwezig mevrouw [naam] van [organisatie] .

2.De feiten

2.1
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie [plaats] voor een periode van 12 maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad is van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij groeien op in een spanningsvolle en onrustige opvoedsituatie waarin er veelvuldig sprake is van ruzie tussen de ouders waarvan de kinderen getuige zijn. Er zijn veel conflicten tussen de ouders, verbaal en fysiek, waarbij meermaals de politie betrokken is geweest. De vader zag de kinderen iedere week op zaterdag van 14.00 uur tot 19.00 uur. Vanuit het [jeugdzorg] was er hulp ingezet om de omgang tussen de vader en de kinderen te begeleiden. Eind augustus 2023 is deze begeleiding echter stopgezet vanwege de vele onrust die bij de wisselmomenten speelde. Er is inmiddels sinds 24 augustus jl. geen omgang meer geweest tussen de man en de kinderen. De moeder staat niet achter omgang tussen de vader en de kinderen. Zij vertrouwt de vader niet, beschuldigt hem van drugsgebruik, dan wel handel in drugs en geeft aan dat de kinderen heftig op omgang met hun vader reageren. Er is (opnieuw) hulp aangevraagd bij het [jeugdzorg] voor begeleiding van de overdrachtsmomenten en ter verbetering van de oudercommunicatie. Tussen de ouders heeft op 6 september 2023 een fysieke escalatie plaatsgevonden op het station van [woonplaats 1] . De stamceltransplantatie die [minderjarige 1] nodig heeft kan niet doorgaan omdat de ouders het niet eens kunnen worden over de behandeling maar ook omdat voor het slagen van die transplantatie het nodig is dat er rust is in de thuissituatie. Een ondertoezichtstelling van de kinderen is noodzakelijk zodat gepaste hulpverlening kan worden ingezet. De hulpverlening die in het vrijwillig kader is ingezet heeft onvoldoende opgeleverd. De doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt luiden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een (fysiek en emotioneel) veilige en stabiele opvoedsituatie waarin zij kunnen vertrouwen op hun ouders;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een prettig, onbelast en frequent/structureel contact met vader;
  • Ouders weten vorm te geven aan gezamenlijk ouderschap.
4.2
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling aan dat de moeder altijd ruzie zoekt met hem tijdens de overdrachtsmomenten. Om die reden heeft hij vaak de politie gebeld en wil hij ook dat er altijd iemand bij de overdrachtsmomenten aanwezig is. Inmiddels heeft hij de kinderen al een tijd lang niet meer gezien. Hij is bang dat de kinderen, en dan zeker [minderjarige 2] , hem niet meer herkennen. Hij wil graag op korte termijn weer contact met de kinderen krijgen. De vader staat niet achter een ondertoezichtstelling maar wel achter hulpverlening in het vrijwillig kader.
4.3
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat ze erkent dat er sprake is van een slechte verstandhouding tussen de ouders. De hulpverlening die door de Raad wordt aanbevolen kan echter ook in het vrijwillig kader plaatsvinden. Eerst moet het vrijwillig kader worden benut voordat van een ondertoezichtstelling sprake kan zijn. Sinds de omgang is stopgezet is er meer rust bij de kinderen te zien en ook is er veel minder spanning. De moeder staat op dit moment niet achter omgang tussen de vader en de kinderen vanwege de zorgen die zij omtrent de vader heeft. Deze zorgen heeft zij ook gedeeld met de hulpverlening. Zo lang de situatie bij de vader niet duidelijk is en hij de gemaakte afspraken niet nakomt blijft de moeder niet achter omgang tussen hem en de kinderen staan. Eerst moet daar duidelijkheid over komen. Als er weer omgang komt moet er ook worden ingezet op de overdrachtsmomenten omdat het de ouders tijdens die momenten, ook met begeleiding erbij, niet lukt om rustig te blijven.

5.De beoordeling

5.1
De kinderrechter constateert dat de vader de nationaliteit van Sierra Leone heeft. Dit brengt mee dat de zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
Rechtsmacht
5.2
Ingevolge artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer ondertoezichtstelling van minderjarigen. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
5.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.4
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.5
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, dat de ouders de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging onvoldoende accepteren maar de verwachting gerechtvaardigd is dat zij de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen, met behulp van de in te zetten hulpverlening, binnen een voor hen aanvaardbare termijn weer in staat zijn te dragen. Er is tussen de ouders veelvuldig sprake van ruzies en spanningen waarvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] getuige zijn geweest. De ruzies tussen de ouders uiten zich in fysiek en verbaal geweld waarbij ook de politie betrokken is geweest. Daarnaast is gebleken dat de hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend is geweest om de problematiek tussen de ouders weg te nemen. Sinds augustus 2023 heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen. Dit contact moet zo snel mogelijk weer worden hervat. Er moet gewerkt worden aan een situatie waarin de minderjarigen een onbelast, veilig en betekenisvol contact met hun vader hebben. De GI dient zicht te krijgen op waar de bezwaren van de moeder tegen omgang tussen de vader en de minderjarigen vandaan komen. Daarnaast zal de moeder met inzet van de juiste hulpverlening moeten werken aan het in staat te zijn om emotionele toestemming te geven aan de minderjarigen voor een onbelast contact met hun vader en zo bij te dragen aan een meer positief vaderbeeld bij de minderjarigen. Ook dient er worden ingezet op hulpverlening voor het verbeteren van de verstandhouding en communicatie tussen de ouders zodat zij in staat zijn om met elkaar op een neutrale, zakelijke wijze te communiceren. Om de door de Raad geformuleerde doelen te kunnen behalen is naar het oordeel van de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom de minderjarigen onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
5.6
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting jeugdbescherming Brabant met ingang van 23 november 2023 en tot 23 november 2024.
6.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2023 door mr. De Beer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, als griffier en op schrift gesteld op 11 december 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.