De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele bodemzaak waarin eisers, bestaande uit een vennootschap onder firma en natuurlijke personen, de gemeente Woensdrecht aansprakelijk stelden voor onrechtmatig handelen met betrekking tot een bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende schade.
In een tussenvonnis was geoordeeld dat het primaire besluit van 12 februari 2009 rechtmatig was zolang geen nieuwe beslissing op bezwaar was genomen. Eisers verzochten om heroverweging, stellende dat de gemeente de onrechtmatigheid erkend had, maar de rechtbank verwierp dit verzoek wegens gebrek aan expliciete erkenning en gelet op de procesorde.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de schadebegroting. Eisers stelden een schadebedrag van €264.685,32 exclusief btw en wettelijke rente tot 2020, bestaande uit winstderving, hogere exploitatiekosten, buitengerechtelijke kosten en rente. De rechtbank verwierp de winstderving wegens onvoldoende causaal verband en onjuiste uitgangspunten, maar kende hogere exploitatiekosten toe van €30.000, matigde buitengerechtelijke kosten tot €12.000 en wees €7.620 toe voor deskundigenkosten. De gevorderde vergoeding voor eigen tijdsinvestering werd afgewezen.
De wettelijke rente werd toegewezen vanaf 27 februari 2014 voor de exploitatiekosten en vanaf 27 november 2019 voor de overige kosten. De provisionele vordering tot voorschot werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De gemeente werd veroordeeld tot betaling van €49.620 plus rente en proceskosten van €6.076,86. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.