ECLI:NL:RBZWB:2023:8906

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
BRE 22/5123
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep inkomstenbelasting en boetes

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen over de jaren 2016 tot en met 2019, inclusief opgelegde boetes. Dit beroep is later ingetrokken. Bij intrekking verzocht belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

De inspecteur heeft erkend dat de boetebeschikkingen zijn vernietigd, waarmee sprake is van tegemoetkoming aan belanghebbende. Echter, de rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding omdat het bezwaar- en beroepschrift niet is ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en er geen bijzondere omstandigheden zijn die vergoeding rechtvaardigen.

Belanghebbende stelde dat zij kosten had gemaakt voor advies bij belastingadviseurs, maar uit de overgelegde factuur bleek niet dat deze kosten betrekking hadden op juridische of fiscale advisering voor de procedure. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding dan ook af, maar benadrukt dat de inspecteur verplicht is het betaalde griffierecht van €50,- te vergoeden.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar griffierecht van €50,- moet worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/5123 tot en met 22/5126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de inspecteur van 28 september 2022. Zij heeft het beroep inzake de aanslagen inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen over de jaren 2016 tot en met 2019 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] H.66.01, [aanslagnummer 2] H.76.01, [aanslagnummer 3] H.86.01. en [aanslagnummer 4] H.96.01. en de bij beschikking opgelegde boetes ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen aanleiding is voor (integrale) proceskostenvergoeding omdat er geen sprake is van een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen. Er is volgens en door de inspecteur geen sprake geweest van een vergaande mate van onzorgvuldigheid of handelen tegen beter weten in.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 2 november 2022 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten waarin de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur heeft op 30 januari 2023 medegedeeld dat de boetebeschikkingen woerden vernietigd. Hiermee is de inspecteur tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Moet de inspecteur de proceskosten van belanghebbende vergoeden?
5. De inspecteur is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het bezwaar- en beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende stelt dat zij kosten heeft gemaakt met het inwinnen van advies bij belastingadviseurs en dat zij daarna zelf bezwaar en beroep heeft ingesteld. Niet aannemelijk is dat dit kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen. . Uit de overgelegde factuur is niet op te maken of er überhaupt sprake is van juridische (fiscale) advisering ten behoeve van de procedure. De factuur vermeldt enkel dat er fiscale werkzaamheden zijn verricht in een bepaalde periode.
6. De rechtbank wijst het verzoek om (werkelijke) proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat de inspecteur verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. [3] . Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de inspecteur wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 15 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.