ECLI:NL:RBZWB:2023:8923

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
BRE 22/5662
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:54 AwbWet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging bij bezwaar WOZ-waarde en OZB-aanslag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 december 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de daarbij behorende aanslag onroerende zaakbelasting van een pand in Breda.

Het beroep is ingesteld door een gemachtigde namens een niet-natuurlijke persoon, maar bij het beroepschrift ontbrak het vereiste uittreksel uit het handelsregister. De rechtbank heeft de gemachtigde hierop gewezen en verzocht dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Hoewel een machtiging werd overgelegd, bleef het uittreksel uit, waardoor niet kon worden vastgesteld of de machtiging rechtsgeldig was afgegeven.

De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven, zodat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en het bestreden besluit in stand blijft.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding af, omdat de gemachtigde niet bevoegd is om dergelijke verzoeken namens de belanghebbende in te dienen.

De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging en het niet overleggen van een uittreksel uit het handelsregister.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
Het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 december 2022. Het beroep ziet op de bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van het pand [adres] te [plaats] met [aanslagnummer] alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat mr. D.A.N. Bartels geen uittreksel uit het handelsregister heeft meegestuurd en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Zoals het overleggen van een machtiging en een uittreksel van de kamer van koophandel. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2] Dit betekent dat er sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb.
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door mr. D.A.N. Bartels. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen uittreksel uit het handelsregister meegestuurd. Dat had wel gemoeten, aangezien de belastingplichtige een niet-natuurlijk persoon is en niet beoordeeld kan worden of de afgegeven machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon. De rechtbank heeft hem bij brief van 8 december 2022 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. mr. D.A.N. Bartels heeft binnen die termijn wel een machtiging overgelegd, maar geen KvK-uittreksel – ook niet nadat hij daar bij aangetekende brief op is gewezen. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de machtiging rechtsgeldig is afgegeven.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
mr. D.A.N. Bartels heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat mr. D.A.N. Bartels niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding
6. Nu niet is gebleken dat mr. D.A.N. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank mr. D.A.N. Bartels ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 19 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.