ECLI:NL:RBZWB:2023:8958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 december 2023
Publicatiedatum
20 december 2023
Zaaknummer
23-013412
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 SvArt. 2 onder C Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift ongegrond verklaard tegen DNA-afname bij veroordeling Opiumwetdelict

De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel na een veroordeling voor een overtreding van de Opiumwet. Hij stelt dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn voor toekomstige opsporing en dat zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn jeugdige leeftijd en positieve ontwikkeling, het opnemen van zijn DNA disproportioneel maken.

De officier van justitie voert aan dat het DNA-onderzoek wel degelijk relevant is gezien de aard van het misdrijf en wijst op contra-indicaties voor de positieve ontwikkeling van de veroordeelde, waaronder een negatief geretourneerde taakstraf.

De rechtbank oordeelt dat het misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de uitzonderingsgronden van de Wet DNA niet van toepassing zijn. Ondanks de jeugdige leeftijd van de veroordeelde en het ontbreken van recidive, is er onvoldoende aanleiding om het bezwaar toe te wijzen. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.

Er zijn geen rechtsmiddelen tegen deze beslissing mogelijk.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-011923-23
raadkamernummer : 23-013412
datum : 22 november 2023
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. el Bellaj advocaat te Tilburg, (Postbus 2191, 5001 CD Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 25 mei 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 22 november 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde - mr. R. El Bellaj - en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Veroordeelde is veroordeeld voor een delict waarbij geen aanleiding is om te veronderstellen dat het behoud van het DNA-profiel van enige betekenis kan zijn bij de opheldering van dergelijke toekomstige strafbare feiten. Veroordeelde stelt verder dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor het zeer onaannemelijk is dat veroordeelde in de toekomst opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Er is sprake van een eenmalig incident. Veroordeelde is een
first offenderdie ook na de veroordeling niet meer in aanraking is gekomen met politie en/of justitie. Hij acht het dan ook buitenproportioneel gelet ook op zijn zeer jeugdige leeftijd als zijn DNA in de DNA databank wordt opgenomen. Veroordeelde heeft na zijn veroordeling een positieve ontwikkeling doorgemaakt en heeft veel geleerd van hetgeen hem is overkomen. Ook heeft hij inmiddels werk. Zijn persoonlijke omstandigheden dienen te prevaleren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De afname van DNA is wel degelijk van belang gelet op de aard van het misdrijf. DNA kan behulpzaam zijn bij in het opsporingsonderzoek naar Opiumwetfeiten. De officier van justitie wijst daarnaast op de proceshouding van veroordeelde. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de aan hem verweten gedragingen. Bij veroordeelde is destijds een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen en 26 gram harddrugs. Dat zijn geen gebruikershoeveelheden. Ook ziet de officier van justitie contra-indicaties voor de positieve ontwikkeling die veroordeelde zou hebben doorgemaakt. Uit het zaaksoverzicht volgt dat de aan veroordeelde opgelegde taakstraf door de reclassering negatief is geretourneerd.

Beoordeling

Door de officier van justitie is op 6 april 2023 na een OM-zitting voor overtreding van artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet aan verdachte een strafbeschikking voor een taakstraf van 50 uur uitgevaardigd.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen in geval van veroordeling of strafbeschikking voor een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zullen kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor de Opiumwet. Voor de opheldering van dergelijke misdrijven kan DNA-onderzoek van betekenis zijn.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Gelet op het systeem van de wet dient er terughoudend te worden omgegaan met het aannemen van een uitzonderingssituatie. Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Veroordeelde is meerderjarig en . Ondanks dat veroordeelde tot op heden niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen, blijkt uit de omstandigheden niet dat er evident sprake is van een eenmalig incident, temeer nu uit het zaaksoverzicht van het CJIB van 28 juni 2023 volgt dat de reclassering de aan veroordeelde opgelegde taakstraf negatief heeft geretourneerd.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is op 6 december 2023 genomen door mr J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van K. Verdult, griffier.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.