ECLI:NL:RBZWB:2023:9020

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
23-003615 en 23-003616
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 535 lid 1 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoekschriften vergoeding inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis wegens ontbrekende ondertekening en termijnoverschrijding

Verzoeker diende twee verzoekschriften in op grond van artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering, waarin hij vergoeding vorderde voor immateriële schade door inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, alsmede een forfaitaire vergoeding voor kosten van het indienen van de verzoekschriften.

De rechtbank constateerde dat de verzoekschriften niet door verzoeker zelf waren ondertekend, terwijl het Wetboek van Strafvordering geen vertegenwoordiging bij dergelijke verzoeken toestaat. Daarnaast waren de verzoekschriften niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na beëindiging van de zaak ingediend.

De advocaat van verzoeker had verzocht om aanhouding van de behandeling om alsnog een ondertekend exemplaar te verkrijgen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat voldoende gelegenheid was geboden. Verzoeker was zelf niet verschenen bij de raadkamer.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker daarom niet-ontvankelijk is in zijn verzoekschriften en wees deze af. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoekschriften wegens ontbrekende ondertekening en termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-055497-21
rk-nummers: 23-003615 en 23-003616
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 8 februari 2023, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. A.W. Syrier, Kruisstraat 307 te 3581 GK Utrecht.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 520,00, € 520,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften dan wel € 680,00 bij behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 10 augustus 2022;
  • de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 26 februari 2021 om 15:07 uur in verzekering is gesteld;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 6 oktober 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. I.J.M. van der Hamsvoord gehoord. De advocaat van verzoeker, mr. A.W. Syrier, is – met bericht van verhindering – niet verschenen in raadkamer.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker stelt immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de door hem ondergane inverzekeringstelling van 26 februari 2022 tot en met 1 maart 2022. Verzocht wordt om hem hiervoor een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 520,00, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van de verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken. De verzoekschriften zijn immers niet tijdig binnen drie maanden ingediend en het verzoekschrift is niet ondertekend door verzoeker.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Bij de griffie van de rechtbank is op 5 oktober 2023 per e-mail een verzoek binnengekomen van de advocaat, waarin hij heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de verzoekschriften. De advocaat heeft daarbij medegedeeld dat het hem niet is gelukt om contact te krijgen met verzoeker, zodat hij nog steeds niet beschikt over een mede door verzoeker ondertekend exemplaar. De advocaat heeft gelet daarop verzocht de behandeling van de verzoekschriften aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen alsnog een mede door verzoeker ondertekend exemplaar te kunnen indienen. De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek in raadkamer afgewezen. De verzoekschriften zijn immers al op 8 februari 2023 door de rechtbank ontvangen, zodat de rechtbank van oordeel is dat de advocaat voldoende in de gelegenheid is geweest door verzoeker ondertekende exemplaren te verkrijgen en in te dienen. Zij komt dan ook toe tot de behandeling van de verzoekschriften.
De rechtbank constateert dat de verzoekschriften niet door verzoeker zijn ondertekend. Noch in artikel 533 Sv Pro noch elders in het Wetboek van Strafvordering is in indiening van een verzoekschrift door een gemachtigde uitdrukkelijk voorzien, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever van vertegenwoordiging te dezen niet heeft willen weten (ECLI:NL:HR:1987:AB7723). De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoekschriften.
De rechtbank stelt daarnaast ten overvloede vast dat het derde lid van artikel 533 Sv Pro voorschrijft dat het verzoek slechts kan worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Het verzoekschrift is niet binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak ingediend. Evenmin zijn door of namens verzoeker redenen voor de termijnoverschrijding aangevoerd, zodat verzoeker ook op deze grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschriften.

3.De beslissing

De rechtbank
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschriften.
Deze beslissing is op 20 oktober 2023 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).