Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in [plaats 2] en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €451.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank.
Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van belanghebbende aan akkoord te zijn met de vastgestelde WOZ-waarde, waardoor het beroep inhoudelijk ongegrond werd verklaard. Wel werd een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden met ongeveer negen maanden. Op basis van jurisprudentie en het financiële belang werd een vergoeding van €100 toegekend, waarvan een deel voor rekening van de heffingsambtenaar kwam en het overige deel voor rekening van de Staat. Tevens werd proceskostenvergoeding toegekend en werd bepaald dat beide partijen ieder de helft van het griffierecht aan belanghebbende moeten vergoeden.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven, maar dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding wegens de termijnoverschrijding en op proceskostenvergoeding.