ECLI:NL:RBZWB:2023:9245

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
2 januari 2024
Zaaknummer
C/02/403115 / JE RK 22-1944
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
  • Dijkman
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:265b BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in pleegzorg

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 december 2023 beslist over het verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in pleegzorg. De minderjarigen verblijven bij pleeggezinnen en zijn onder toezicht gesteld van de GI sinds 2019. Diverse eerdere verlengingen van de machtiging zijn verleend, waarbij het perspectiefonderzoek een belangrijke rol speelde.

Uit het perspectiefonderzoek, uitgevoerd door William Schrikker Gezinsvormen, bleek dat de minderjarigen niet volledig bij hun moeder kunnen opgroeien vanwege onvoldoende erkenning van de opvoedvraag en andere problematiek. De GI heeft dit advies overgenomen en het verzoek tot verlenging ingediend. De ouders en pleegouders waren aanwezig bij de mondelinge behandeling, waarin zij hun standpunten gaven. De moeder stemde in met het verzoek, de vader benadrukte het belang van vaardigheden voor zelfstandigheid en contact met de kinderen, en de pleegmoeder gaf aan dat de jongste minderjarige veel begeleiding nodig heeft.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden toegewezen tot 26 december 2023, zodat de zorg en opvoeding van de minderjarigen gewaarborgd blijft. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de kinderen. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in pleegzorg tot 26 december 2023 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/403115 / JE RK 22-1944
Datum uitspraak: 12 december 2023
(verdere) beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] , [land] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.O. Zengin in 's-Gravenhage,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
FAMILIE [achternaam 1],
hierna te noemen: de pleegouders (van [minderjarige 1] ),
wonende in [plaats 1] ,
FAMILIE [achternaam 2],
hierna te noemen: de pleegouders (van [minderjarige 2] ),
wonende in [plaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 november 2023 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
  • de brief met bijlagen van de GI van 6 december 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 7 december 2023.
1.2.
Op 12 december 2023 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Zengin;
  • de vader;
  • de pleegmoeder van [minderjarige 2] ;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het onderhavige verzoek van de GI en de verzoeken van de GI in de zaak met zaaknummer C/02/415330 / JE RK 23-1895, zijn beide zaken gelijktijdig tijdens de mondelinge behandeling behandeld. In de zaak met kenmerk JE RK 23-1895 is bij afzonderlijke beschikking beslist.
1.4.
De meervoudige kamer van deze rechtbank stelt vast dat hoewel de pleegouders van [minderjarige 1] , de familie [achternaam 1] , correct zijn opgeroepen, zij niet tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen.
1.5.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [naam] , als begeleidster van de vader vanuit de beschermde woongroep, om de mondelinge behandeling met gesloten deuren bij te wonen en de vader indien nodig bij te staan. De aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaren geuit.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 juli 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. In de genoemde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd.
2.3.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 december 2022 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 26 december 2023. In de genoemde beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 26 juni 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 juni 2023 is de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 december 2022, voor zover betrekking hebbende op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, bekrachtigd.
2.5.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 juni 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 26 juni 2023 en tot 26 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 26 november 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.7.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 november 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 26 november 2023 tot en met 13 december 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.8.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van de laatst genoemde machtiging bij de familie [achternaam 1] respectievelijk de familie [achternaam 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen met een jaar. Ook verzoekt de GI, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 14 december 2023 en tot 26 december 2023.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, verklaard dat het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 1] heeft een moeilijke tijd achter de rug en het perspectiefonderzoek is voor hem intensiever geweest dan voor [minderjarige 2] . [minderjarige 1] weet dat hij niet langer bij zijn pleeggezin kan verblijven, omdat zij hoofdzakelijk als crisispleeggezin functioneren. Met [minderjarige 2] gaat het goed en hij ontwikkelt zich goed. De afgelopen periode heeft er een perspectiefonderzoek plaatsgevonden. Dat onderzoek heeft langer geduurd dan op voorhand de bedoeling zou zijn, omdat de onderzoeker een goed beeld van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wilde verkrijgen. Uit het perspectiefonderzoek is het advies gekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet volledig bij de moeder kunnen opgroeien. Het advies is goed bestudeerd, waarna de GI op 6 december 2023 het besluit heeft genomen het advies van de onderzoeker over te nemen. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de opvoedvraag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de ouders, althans de moeder, niet (h)erkend wordt. De moeder heeft moeite met het geven van sturing, vindt het moeilijk om tot afspraken te komen en zich hieraan te houden, heeft het druk om voor de andere (minderjarige) kinderen te zorgen, komt niet tot een hulpvraag en kan impulsief handelen. Het netwerk van de moeder is onvoldoende beschikbaar. Weliswaar heeft de GI het besluit genomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet volledig bij de moeder kunnen wonen, maar zij vindt het wel belangrijk dat de ouders bij de gevolgen van dit besluit ondersteund en begeleid worden en dat bezien wordt of het contact tussen de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al dan niet uitgebreid kan worden. De GI is al begonnen met het bekijken of dat contact uitgebreid kan worden, zoals blijkt uit de aankondiging schriftelijke aanwijzing van 6 december 2023. In dat kader is bij [minderjarige 2] overwogen of hij meer gebaat is bij het vaker contact hebben met zijn ouders of dat de duur van het contact uitgebreid moet worden. De kwaliteit van het contact wordt, ook gelet op de reistijd, waarschijnlijk beter als de contactmomenten niet qua frequentie maar qua duur worden uitgebreid.
4.2.
Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, verklaard dat er tegen het resterende deel van het onderhavige verzoek weinig verweer kan worden gevoerd en dat de moeder hiermee akkoord kan gaan.
4.3.
Door de vader is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, verklaard dat de vader het belangrijk vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vaardigheden leren waarmee zij op een gegeven moment op eigen benen kunnen staan. Dit vindt de vader belangrijker dan de vraag waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien. Het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt goed en de vader is blij dat dat is uitgebreid. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een band met hun ouders houden. Ten slotte heeft de vader aangegeven dat de samenwerking met de pleegouders goed verloopt.
4.4.
Door de pleegmoeder van [minderjarige 2] (hierna: de pleegmoeder) is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige 2] een korte spanningsboog heeft, welke ook door de school wordt gezien. De bedoeling van de GI dat [minderjarige 2] zijn moeder een keer per maand van 13:00 uur tot 19:00 uur ziet, vindt de pleegmoeder voor hem wellicht niet haalbaar. [minderjarige 2] heeft veel sturing, begrenzing en begeleiding nodig, temeer omdat hij goed kan aanvoelen of hij wel of niet de ruimte krijgt. Het komt voor dat de pleegouders hun best moeten doen om [minderjarige 2] te begrenzen, maar dit heeft hij wel nodig om zich veilig te voelen en zich te kunnen ontwikkelen. Als [minderjarige 2] op vrijdag naar zijn moeder mag gaan, dan moeten de pleegouders in het weekend hard werken om hem te sturen, te begrenzen en te begeleiden. Zichtbaar is dat als [minderjarige 2] ’s avonds thuiskomt hij het moeilijk vindt om dingen los te laten, waardoor hij ’s ochtends niet energiek genoeg uit zijn bed kan komen.
4.5.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, verklaard dat het resterende deel van het onderhavige verzoek moet worden toegewezen. Met het nemen van een perspectiefbesluit komt er duidelijkheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten nu in de onzekerheid waar zij mogen opgroeien.

5.De (verdere) beoordeling

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de rechtbank van oordeel dat het resterende deel van het verzoek van de GI moet worden toegewezen. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg wordt verlengd tot 26 december 2023. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.
5.3.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd. Die machtiging is verlengd, omdat de rechtbank de informatie uit het perspectiefonderzoek nodig had om een goede beoordeling te kunnen maken over het toekomstperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het nu bij de moeder plaatsen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met kindeigenproblematiek (en nog zonder plan van aanpak en/of verdere inzet van hulpverlening) vraagt veel van zowel de moeder als van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar ook van de andere gezinsleden van de moeder. Daar komt bij dat de huidige contactregeling beperkt is en de overgang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus erg groot is. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening is daarna steeds verlengd, omdat de resultaten van het perspectiefonderzoek nog niet bekend waren.
5.4.
De rechtbank stelt nu vast dat de William Schrikker Gezinsvormen, die afzonderlijk en onafhankelijk van de GI het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft onderzocht, de GI op 20 november 2023 heeft geadviseerd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij de moeder te laten opgroeien. De GI heeft dit advies met de ouders en [minderjarige 1] besproken. Op 6 december 2023 heeft de GI het besluit genomen dat niet langer toegewerkt zal worden aan de thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder, omdat hun (toekomst)perspectief daar niet volledig ligt. In dat kader heeft de GI een verlengingsverzoek bij de rechtbank ingediend waarin het perspectiefonderzoek nadrukkelijk aan de orde zal komen. De rechtbank vindt het noodzakelijk om de resultaten en het advies van het perspectiefonderzoek van de William Schrikker Gezinsvormen, het naar aanleiding daarvan door de GI genomen perspectiefbesluit en het hiertegen gevoerde verweer van de moeder goed te bestuderen om, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , tot een zorgvuldig afgewogen beslissing te kunnen komen. Nu de GI het resterende deel van het verzoek heeft gehandhaafd, de belanghebbenden daartegen geen verweer hebben gevoerd en de rechtbank het op dit moment nog noodzakelijk vindt in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hen bij de afzonderlijke pleeggezinnen te laten verblijven om tot een zorgvuldige afweging te komen in de zaak met zaaknummer C/02/415330 / JE RK 23-1895, zal het resterende deel van het verzoek van de GI worden toegewezen. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg wordt verlengd met ingang van 14 december 2023 en tot 26 december 2023.
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat die beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De (verdere) beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 14 december 2023 en tot 26 december 2023;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december
2023 door mr. Zuijdweg, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Dijkman, kinderrechter, en mr. Hendriks, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Hol, griffier, en op schrift gesteld op 22 december 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.