De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen voor de duur van twaalf maanden vanwege ernstige zorgen over hun ontwikkeling. De moeder kampt met persoonlijke problematiek die haar in het uitoefenen van het ouderlijk gezag beperkt, wat leidt tot gedragsproblemen en schoolverzuim bij de kinderen. De vader is beperkt betrokken.
Tijdens de mondelinge behandeling maken de kinderen geen gebruik van hun recht om hun mening te geven. De moeder erkent de zorgen maar stelt dat de bedreiging binnen het vrijwillige kader kan worden afgewend en dat te veel hulp contraproductief is. De vader vindt een ondertoezichtstelling niet nodig.
De kinderrechter oordeelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, mede door het ontbreken van een stabiele opvoedingssituatie en onvoldoende bestendigde hulpverlening. De vrijwillige hulpverlening blijkt onvoldoende effectief. Daarom wordt de ondertoezichtstelling toegewezen voor een jaar, met een uitvoerbaarverklaring bij voorraad om directe bescherming te waarborgen.