De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige, geboren in 2008, na een conflict tussen de ouders. De minderjarige was sinds februari 2023 feitelijk bij de vader gaan wonen en had vrijwel geen contact meer met de moeder. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats, inschrijving bij hem en betaling van kinderbijslag, terwijl de moeder dit betwistte en het contact wilde herstellen.
De rechtbank nam kennis van eerdere kort geding-uitspraak waarin werd benadrukt dat professionele hulpverlening noodzakelijk is om de situatie te verbeteren. Ondanks instemming met begeleiding door een mediator, vonden er geen gezamenlijke gesprekken plaats. De minderjarige volgt inmiddels traumatherapie en wil bij zijn vader blijven wonen, maar ook het contact met zijn moeder herstellen onder begeleiding.
De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is om duidelijkheid te scheppen over de hoofdverblijfplaats, gezien de langdurige situatie en het welzijn van de minderjarige. De verzoeken van de vader tot vervangende toestemming en dwangsommen werden afgewezen omdat deze niet nodig zijn na de beslissing. De moeder werd verplicht de eigendommen van de minderjarige terug te geven. De verzoeken tot onderhoudsbijdrage werden ingetrokken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd.