Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het parkeren van een voertuig voor een inrit op de Schutterijstraat te Vlissingen op 19 juni 2021 om 15.34 uur. Betrokkene stelde beroep in tegen deze boete bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens richtte betrokkene zich tot de kantonrechter met beroep.
Tijdens de zitting op 8 november 2023 was betrokkene en zijn gemachtigde niet aanwezig. De officier van justitie werd vertegenwoordigd door mr. C.S. de Meer. Betrokkene voerde aan dat hij een ontheffing had voor het muurtje naast de inrit en parkeerde deels voor het muurtje en deels voor de inrit, waarbij hij beweerde dat de buren nog makkelijk uit hun garage konden komen. Tevens werd gesteld dat handhaving had toegezegd de boetes te verwijderen, wat niet was gebeurd.
De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant en de foto’s voldoende bleek dat de overtreding had plaatsgevonden. De aangevoerde ontheffing werd niet met bewijs ondersteund en het is niet aan buren om te bepalen waar op gemeentegrond geparkeerd mag worden. De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard. Ook werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.