ECLI:NL:RBZWB:2023:9406

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
23-018185
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNAArt. 2 Wet DNAECLI:NL:HR:2020:626
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond bezwaar tegen DNA-opname minderjarige veroordeelde met voorwaardelijke taakstraf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 december 2023 het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was ten tijde van het gepleegde feit 13 jaar en kreeg een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur opgelegd. Hij was nadien niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

De rechtbank overwoog dat bijzondere omstandigheden, waaronder minderjarigheid ten tijde van het misdrijf en het geringe recidivegevaar, een uitzondering op de DNA-opname kunnen rechtvaardigen. De officier van justitie onderschreef dit standpunt mede gelet op het demissionaire wetsvoorstel dat bij minderjarige veroordeelden met taakstraffen onder 40 uur geen DNA wordt afgenomen.

Gezien de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en het geringe belang van DNA-opname in dit geval, verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval de vernietiging van het celmateriaal. Deze beslissing werd genomen door rechter A.L. Hoekstra in aanwezigheid van griffiers.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-147124-20
raadkamernummer : 23-018185
datum : 11 december 2023
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonadres] ,
mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal,
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 04 juli 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 11 december 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat, mr. M. Broere en de officier van justitie op zitting gehoord.
De rechtbank doet na behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer direct uitspraak.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Door de veroordeelde is aangevoerd dat hij is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur. Ten tijde van de veroordeling was veroordeelde nog geen 16 jaar en ten tijde van de pleegdatum was hij 13 jaar. Veroordeelde had destijds geen justitiële documentatie en is nadien niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. In het bezwaarschrift wordt verwezen naar het voornemen van de demissionair Minister van Justitie en Veiligheid om bij minderjarige veroordeelden die een taakstraf van minder dan 40 uur opgelegd hebben gekregen geen DNA af te nemen. Daarnaast wordt aangevoerd dat de veroordeling een zaak van geringe ernst betreft.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat de wet in beginsel geen onderscheid maakt tussen meerderjarige en minderjarigen veroordeelden. Wel vraagt minderjarigheid ten tijde van het begaan van het strafbare feit om een individuele beoordeling omtrent de opname van het DNA in de databank. Allereerst is hier de opgelegde sanctie vna belang. In het wetsvoorstel legt de Minister de grens waarbij geen DNA wordt afgenomen bij een taakstraf van 40 uur. Aan veroordeelde is een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur opgelegd. Daarnaast is veroordeelde niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zorgen over veroordeelde, maar dit maakt het recidiverisico niet hoger. Met inachtneming van het wetsvoorstel en kijkend naar de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond dient te worden verklaard.

Beoordeling

Bij vonnis van 2 november 2021 is de veroordeelde door de meervoudige kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen. De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door de veroordeelde is aangevoerd, leidt tot het oordeel dat deze uitzonderingssituatie in het onderhavige geval van toepassing is. Veroordeelde was ten tijde van de veroordeling minderjarig. Nadien is hij niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Aan veroordeelde is een geheel voorwaardelijke taakstraf opgelegd van 30 uur te vervangen door 15 dagen jeugddetentie.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.L. Hoekstra, rechter,
in tegenwoordigheid van K. Verdult en mr. M. van Grinsven, griffiers,
en uitgesproken op 11 december 2023.
De griffier mr. Van Grinsven is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.