ECLI:NL:RBZWB:2023:9407

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
23-004474
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 529 lid 2 SvArt. 533 SvArt. 535 lid 1 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoekschrift vergoeding kosten rechtsbijstand wegens ontbreken handtekening verzoeker

Verzoeker diende een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Sv Pro voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en forfaitaire kosten. Het verzoekschrift was niet door verzoeker ondertekend, wat door de officier van justitie als primair verweer werd aangevoerd. Subsidiair werd gesteld dat het verzoek niet tijdig was ingediend.

Tijdens de raadkamerzitting was verzoeker niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door een advocaat die verklaarde geen ondertekend exemplaar van het verzoekschrift te bezitten. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van de handtekening van verzoeker op het verzoekschrift leidt tot niet-ontvankelijkheid, omdat het Wetboek van Strafvordering geen vertegenwoordiging bij dergelijke verzoekschriften toestaat.

De rechtbank wees het verzoek af en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens werd de forfaitaire vergoeding niet toegekend. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van zijn handtekening op het verzoekschrift.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-047567-20
rk-nummer: 23-004474
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 16 februari 2023, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1985 te [land]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. H.M. Dunsbergen, Parkstraat 10 te 4818 SJ Breda.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.096,62, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 15 januari 2021;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 december 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.A. Castelein en mr. A.C.M. Tönis als waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker stelt ontvankelijk te zijn in zijn verzoek, gelet op artikel 529 lid 2 Sv Pro en de datum van indiening van het verzoek. De sepotbeslissing is immers pas op 25 november 2022 van het Openbaar Ministerie ontvangen. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 1.096,62, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de advocaat te kennen gegeven dat zij niet beschikt over een door verzoeker ondertekend exemplaar van het verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het verzoekschrift niet door verzoeker is ondertekend. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het verzoekschrift niet tijdig binnen drie maanden is ingediend. Gelet op het voorgaande komt ook de forfaitaire vergoeding niet voor vergoeding in aanmerking.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder primair ingenomen standpunt.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat het verzoekschrift niet door verzoeker is ondertekend. Noch in artikel 533 Sv Pro noch elders in het Wetboek van Strafvordering is in indiening van een verzoekschrift door een gemachtigde uitdrukkelijk voorzien, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever van vertegenwoordiging te dezen niet heeft willen weten (ECLI:NL:HR:1987:AB7723). De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoekschrift.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoekschrift.
Deze beslissing is op 11 december 2023 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven en K. Verdult, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2023.
De griffier mr. Van Grinsven is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).