Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte met een looptijd tot maart 2027. De huurder heeft een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd, waarna de verhuurder in kort geding ontruiming en betaling van achterstallige huur vorderde. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De huurder vordert vervolgens schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis, stellende dat de verhuurder bij de eerdere procedure niet heeft meegedeeld dat het gehuurde ernstige gebreken vertoonde, wat tot dwaling zou leiden. Tevens beroept de huurder zich op redelijkheid en billijkheid ten aanzien van uitsluiting van opschortingsrecht.
De rechtbank oordeelt dat de toetsingsmaatstaf van het Ritzen/Hoekstra-arrest geldt omdat geen hoger beroep is ingesteld. Er is onvoldoende gesteld of gebleken dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. De huurachterstand en contractuele uitsluiting van opschortingsrecht rechtvaardigen de ontruiming. Nadere stellingen over gebreken vallen buiten het toetsingskader en kunnen niet leiden tot schorsing. De vordering wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.