ECLI:NL:RBZWB:2023:945

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2023
Publicatiedatum
14 februari 2023
Zaaknummer
405331_E17022023
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Felix
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in verzoek zorgmachtiging na intrekking

De officier van justitie diende een verzoek in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Het verzoek betrof verplichte zorg voor een periode van zes maanden, waaronder medische handelingen, beperking van bewegingsvrijheid, insluiting, toezicht, beperkingen in het eigen leven en opname in een accommodatie.

Bij het verzoek waren diverse medische documenten en eerdere machtigingen gevoegd. De advocaat van betrokkene stelde dat de noodzaak van het verzoek ontbrak. Vervolgens trok de officier van justitie het verzoek in.

De rechtbank oordeelde dat door de intrekking geen procesbelang meer bestond bij het verzoek en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk. Tegen deze beschikking staat cassatie open. De beschikking werd openbaar uitgesproken door rechter Felix op 17 februari 2023.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging na intrekking van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/405331 / FA RK 23/204
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg aansluitend op een voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 17 februari 2023van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1948 te [geboorteplaats],
wonende te [woonadres],
thans verblijvende in de accommodatie van [verblijfplaats],
[adres],
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg.

1.Procesverloop

1.1
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 16 januari 2023. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 16 januari 2023;
- de medische verklaring van 13 januari 2023;
- een voorstel van de zorginstelling betreft de aanvraag van 13 januari 2023;
- een zorgkaart van 11 januari 2023;
- een zorgplan van 13 januari 2023;
- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet Bopz en de Wvggz.
Daarnaast blijkt het procesverloop uit de volgende stukken:
- de brief van de advocaat van betrokkene van 31 januari 2023, inhoudende dat volgens de behandelende artsen de noodzaak van het onderhavige verzoek ontbreekt;
- het bericht van de officier van justitie van 2 februari 2023, inhoudende een intrekking van het verzoek.

2.Verzoek

2.1
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging aansluitend op een voortzetting van de crisismaatregel te verlenen ten behoeve van betrokkene, voor de duur van zes maanden en voor de navolgende vormen van verplichte zorg:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

3.Beoordeling

3.1
Uit het bericht van de officier van justitie blijkt dat het verzoek wordt ingetrokken.
3.2
Uit de hiervoor genoemde bericht blijkt dat er geen (proces)belang meer bestaat bij het verzoek, zodat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken door mr. Felix, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier Can op 17 februari 2023.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.