Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het geven van signalen op een andere wijze dan toegestaan op 12 november 2021 te Tilburg. Betrokkene betwistte de gedraging en stelde dat het claxonneren ter afwending van dreigend gevaar was, waarbij een botsing werd voorkomen. De officier van justitie handhaafde de boete, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs leverde dat de gedraging had plaatsgevonden en dat betrokkene onvoldoende feiten aanvoerde om deze verklaring te betwisten. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete.
Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25% en kende een proceskostenvergoeding toe voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd en een proceskostenvergoeding van €418,50 toegekend.