Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.Het verzoek
3.De gronden van het wrakingsverzoek
4.De beoordeling
5.De beslissing
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. Broeders, de rechter in een civiele procedure, omdat de zitting op 8 december 2023 buiten een gerechtsgebouw plaatsvond en de rechter geen toga droeg. Verzoeker erkent de Nederlandse rechtspraak op deze gronden niet.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid bestaan. De kamer onderzocht of de specifieke feiten en omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren.
De wrakingskamer oordeelde dat het houden van de zitting op de locatie waar verzoeker verbleef, conform artikel 6:1 lid 3 WVGGZ Pro, rechtmatig is en geen aanleiding geeft tot wraking. Ook het ontbreken van een toga was volgens artikel 2 van Pro het Kostuum- en titulatuurbesluit gerechtvaardigd omdat de zitting niet in een gerechtsgebouw plaatsvond.
Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege gelaten. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens het ontbreken van een toga en het houden van de zitting buiten een gerechtsgebouw is kennelijk ongegrond verklaard.