Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is beboet wegens het niet voeren van de wettelijk voorgeschreven verlichting aan de voor- en achterzijde van de fiets op 24 oktober 2021. Tegen de opgelegde boete is beroep ingesteld bij de officier van justitie, die dit ongegrond verklaarde. Vervolgens is beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 4 december 2023 verschenen alleen de vertegenwoordiger van de officier van justitie; betrokkene en diens gemachtigde waren afwezig. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd onomstotelijk vaststaat en dat er geen inhoudelijke bezwaren zijn tegen de boete.
Wel is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak overschreden, aangezien de boete op 27 oktober 2021 werd verzonden en de procedure langer dan twee jaar heeft geduurd. Op grond hiervan matigde de kantonrechter de boete met 25%. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter, verdeeld over drie samenhangende zaken.
De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag als zekerheidstelling terug te betalen aan betrokkene. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% tot € 45,00 plus administratiekosten en er wordt een proceskostenvergoeding toegekend.