Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Bredaseweg (A58) te Etten-Leur op 8 december 2022 om 22:17 uur. Betrokkene voerde aan dat zij niet de bestuurder was en dat er geen bewijs zoals een foto was overgelegd. Tevens stelde zij dat haar partner de bestuurder was, die de boete betwist.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de verklaring van de verbalisant doorslaggevend was, aangezien deze zonder stopmiddelen in een privévoertuig reed en daarom geen staandehouding kon verrichten. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende grondslag bood voor de vaststelling van de gedraging.
Volgens artikel 5 van Pro de Wahv moet de verbalisant de bestuurder staande houden, tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. In dit geval was dat het geval, waardoor de boete terecht aan de kentekenhouder werd opgelegd. De kantonrechter zag geen reden om de boete te matigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.