ECLI:NL:RBZWB:2023:9618

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
C/02/416085 / JE RK 23-2036
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2011, vanwege ernstige bedreigingen in diens ontwikkeling. De minderjarige woont bij zijn moeder, en de ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De Raad signaleert dat de minderjarige vastloopt in zijn ontwikkeling door zowel kind-eigen als omgevingsfactoren, waaronder een geïsoleerd leven, geen dagbesteding, diverse diagnoses en psychosomatische klachten. Daarnaast speelt de beleving van seksueel misbruik door de vader en conflicten tussen ouders een rol.

De moeder betwist het verzoek en vraagt om het horen van de behandelaren als deskundigen, omdat zij meent dat het rapport van de Raad onvoldoende rekening houdt met medische inzichten en dat de diagnose van de minderjarige wordt betwijfeld zonder overleg met medisch specialisten. De vader is niet verschenen en stemt niet in met de ondertoezichtstelling. De minderjarige zelf gaf aan het niet uit te maken en wenst begeleid contact met zijn vader.

De kinderrechter wijst het verzoek tot het horen van behandelaren af, omdat hun verklaringen vooral relevant zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en niet voor de vraag of deze moet worden uitgesproken. De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad en stelt vast dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat heeft geboekt. De ondertoezichtstelling wordt daarom toegekend voor de duur van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De GI krijgt de regie om een gezinsgerichte aanpak te realiseren en de behoeften van de minderjarige in kaart te brengen.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor één jaar onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming West met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/416085 / JE RK 23-2036
Datum uitspraak: 15 december 2023
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zuidwest Nederland,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. mr. F. Ergec te Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming West, regio Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 november 2023;
  • de e-mail van de vader van 11 december 2023;
  • de brief van mr. Ergec met bijlagen van 13 december 2023;
  • de e-mail van 14 december 2023 van mr. Ergec.
  • de e-mail van 15 december 2023 van mr. Ergec, met bijlage.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 december 2023. Daarbij waren aanwezig:
  • twee vertegenwoordigsters van de Raad;
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief naar de kinderrechter gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de vader en de moeder geboren.
2.3.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.4.
De vader en de moeder zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
Door de Raad is ter onderbouwing van zijn verzoek aangegeven dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] loopt vast in zijn algehele ontwikkeling waarbij zowel kindeigen factoren een rol spelen als ook omgevingsfactoren, waaronder de rol van de ouders. [minderjarige] leidt een geïsoleerd leven en heeft geen dagbesteding. Daarnaast zijn er meerdere diagnoses bij hem gesteld en heeft hij diverse psycho-somatische klachten. Verder heeft hij de beleving te zijn misbruikt door zijn vader, is er strijd tussen de ouders en speelt er nog het risico op contactverlies met zijn vader. De Raad heeft ten behoeve van zijn onderzoek meerdere informanten geraadpleegd, waaronder [kinderpsychiater]. Ook de informatie van de huisarts is meegenomen. De Raad heeft daarna zijn eigen weging gemaakt. Wat de Raad in zijn onderzoek is opgevallen is dat de behandelaren vooral contact lijken te hebben met de moeder en eigenlijk weinig met [minderjarige] . Ook verbaast het de Raad dat er op dit moment geen behandeling van [minderjarige] plaatsvindt. Er is al een lang traject tussen de ouders gaande en de complexiteit en onderlinge samenhang van de diverse zorgen vragen om een stevige inzet. Dat is ook de reden dat de Raad het nodig vindt dat er een uitgebreid gezinssystemisch onderzoek plaatsvindt om meer duidelijkheid te krijgen over de behoeften van [minderjarige] , de (on)mogelijkheden, de kind-eigen factoren, draagkracht, fysieke ongemakken en belemmeringen en de (on)mogelijkheden van ouders om bij hem aan te sluiten en hem te bieden wat hij nodig heeft. Ook de onderlinge communicatie tussen ouders heeft aandacht nodig en de Raad ziet niet dat die communicatie in het vrijwillig kader nog zal verbeteren. De Raad vindt om genoemde redenen een ondertoezichtstelling van [minderjarige] nodig. Over de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling kan vervolgens verdere afstemming plaatsvinden met onder andere de behandelaren van [minderjarige] .
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij vindt dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige] weinig zin heeft. Volgens haar ontbreekt er informatie in het rapport van de Raad die wel heel belangrijk is om een realistisch beeld van [minderjarige] te schetsen. De moeder maakt zich er zorgen over dat de diagnose van [minderjarige] door de Raad in twijfel wordt getrokken, zonder dat de medisch specialisten die bij [minderjarige] zijn betrokken daarover zijn gehoord. [minderjarige] kan zijn gedrag en diagnose goed maskeren. De moeder is bang dat nu niet goed in beeld is wat [minderjarige] nodig heeft, dat hij wordt overvraagd en dat hij niet de hulp krijgt die hij nodig heeft. De moeder wil dat de behandelaar en psychiater van [minderjarige] als deskundigen c.q. getuigen worden gehoord. Zij hebben net als de moeder veel zorgen over wat er in het rapport van de Raad staat over onder andere de problematiek van [minderjarige] . In het kader van hoor en wederhoor is het van belang hen te horen over de aard en noodzaak van een ondertoezichtstelling. Verder vindt de moeder dat door de Raad in zijn rapport snel voorbij wordt gegaan aan de signalen die er zijn over seksueel misbruik. Ook wordt er in het rapport nauwelijks aandacht besteed aan het feit dat [thuiszorg] geen mogelijkheid ziet om te komen tot een verdere uitbreiding van de omgang met de vader dan de huidige twee uren omdat dit [minderjarige] te veel zou belasten. Als puntje bij paaltje komt, trekt de vader zijn handen van [minderjarige] af. Het rapport van de Raad versterkt bovendien het beeld dat de vader over de moeder heeft en dat is gevaarlijk en schadelijk. De moeder vindt de heftige uitspraken van de stiefzoon van de vader zorgwekkend en beangstigend. Daarnaast is er inmiddels een plan opgesteld voor [minderjarige] . De moeder zou graag zo snel mogelijk zelf met dit plan aan de slag gaan. De moeder is bang dat een eventuele ondertoezichtstelling vertragend daarin zal werken.
4.3.
De vader is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. In zijn e-mail aan de kinderrechter heeft hij laten weten dat hij niet instemt met een ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De vader denkt dat dit voor [minderjarige] weer veel spanning en druk gaat geven, dat niet goed is voor [minderjarige] . Hij gunt [minderjarige] rust en een onbezorgde toekomst, waarin de ouders op normale manier met elkaar kunnen communiceren om [minderjarige] te helpen.
4.4.
[minderjarige] heeft in een brief aan de kinderrechter aangegeven dat het hem niet uitmaakt of er een ondertoezichtstelling komt. Hij wil een keer in de vier weken naar zijn vader en, als hij zich goed voelt, misschien iets meer. Wel wil hij dat daar dan altijd begeleiding bij is. Verder hoopt [minderjarige] dat de kinderrechter hem gelooft. Hij bedoelt daarmee zijn tics, moeheid en autisme.
De beoordeling
5.1
De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder om de behandelaren van [minderjarige] als getuigen c.q. deskundigen te horen af. Hij vindt het heel belangrijk dat er goed wordt geluisterd naar de behandelaren van [minderjarige] en dat zij ook een stem hebben als het gaat om [minderjarige] en wat er nu verder met en voor hem moet gebeuren. Deze betrokkenheid is echter niet zozeer van belang voor de vraag of er een ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet komen, maar vooral voor de uitvoering van het plan dat voor [minderjarige] is bedacht en voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter stelt vast dat beide ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. Ook stelt zij vast dat er grote zorgen zijn over de medische toestand van [minderjarige] en dat de behandelaren van [minderjarige] en de Raad hierover niet op één lijn zitten. De behandelaren van [minderjarige] voelen zich onvoldoende door de Raad gehoord, terwijl de Raad aangeeft niet alleen te kijken naar de medische toestand van [minderjarige] maar ook meer systeemgericht. Uiteindelijk is het gezamenlijk doel hetzelfde, alleen bestaat er een verschil in visie over de weg daar naartoe. Het is de uitdaging van de GI om daarin de komende tijd de juiste weg te vinden en goed te gaan kijken wat voor [minderjarige] nodig is op zowel diagnostisch gebied als systeemgericht. Tegen voornoemde achtergrond ziet de kinderrechter geen meerwaarde in of noodzaak tot het horen van de behandelaren van [minderjarige] als getuigen c.q. deskundigen.
5.2.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (zoals opgenomen in artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek). De Raad heeft in zijn rapport een groot aantal zorgen over [minderjarige] benoemd. De kinderrechter onderschrijft deze zorgen en, gezien de complexiteit en onderlinge samenhang van de diverse zorgen, ook de noodzaak tot een gezins-systemische aanpak- en onderzoek. Het is de ouders in de afgelopen periode niet gelukt om met vrijwillige hulpverlening de zorgen rondom [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt daarom nodig dat de GI in het kader van een ondertoezichtstelling bij [minderjarige] betrokken raakt en de regie gaat voeren. Het is belangrijk dat onder regie van de GI goed wordt uitgezocht wat (maximaal) haalbaar is voor [minderjarige] . Zoals zijn leven er nu uit ziet, gunt men niemand. De kinderrechter neemt de doelen van de ondertoezichtstelling over zoals die door de Raad zijn geformuleerd op pagina 23 van zijn rapport, te weten:
- [minderjarige] groeit op in een veilige en voorspelbare opvoedsituatie waarin hij aan beide ouders veilig kan hechten;
- [minderjarige] krijgt emotionele toestemming van ouders om van beide ouders te houden;
- [minderjarige] heeft een onbelast en structureel contact met beide ouders;
- [minderjarige] heeft een vorm van dagbesteding, zoals school;
- [minderjarige] ontvangt hulpverlening die passend is bij zijn problematiek;
- Ouders kunnen in het belang van [minderjarige] afspraken maken met elkaar en deze nakomen en zij kunnen op constructieve wijze communiceren in het belang van [minderjarige] ;
- Ouders hebben meer zicht op het effect van hun handelen op [minderjarige] ;
- Er ontstaat zicht op de (on)mogelijkheden van ouders om passend aan te sluiten bij de
behoeften van [minderjarige] .
Daarnaast kan de kinderrechter zich voorstellen dat de GI ook gaat kijken naar de zorg van de moeder over de zeer verontrustende uitlatingen van de stiefzoon van de vader richting de moeder.
Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitspreken voor de gevraagde duur van één jaar.
5.3
De kinderrechter realiseert zich dat deze beslissing niet de beslissing is waarop de moeder had gehoopt. Hij hoopt echter dat de moeder zich ook realiseert dat deze beslissing in het belang van [minderjarige] is genomen en dat de moeder de betrokkenheid van de GI kan zien als een steun in de rug.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast gevolgd moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, regio Zeeland, met ingang van 15 december 2023 tot 15 december 2024;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2023 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 29 december 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.