Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
- de moeder;
- de vader;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 10 november 2023 om ondertoezichtstelling van vier minderjarigen, geboren tussen 2011 en 2019, die bij hun moeder wonen. De Raad stelde dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door spanningen tussen de ouders, onvoldoende hulpverlening en de overbelasting van de moeder, die op momenten toevlucht zocht in drugsgebruik. De vader trok zich terug en verleende geen toestemming voor hulpverlening, wat het contact met twee van de kinderen bemoeilijkt.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 december 2023, waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig waren, erkenden beide ouders het belang van ondertoezichtstelling en werkten zij mee. De kinderen vertelden over de spanningen thuis en de wens tot contact met hun vader. De kinderrechter oordeelde dat aan het wettelijke criterium van artikel 1:255 BW Pro is voldaan: de kinderen worden ernstig bedreigd in hun ontwikkeling en de noodzakelijke zorg wordt onvoldoende geaccepteerd of geboden.
De kinderrechter wees het verzoek toe voor een periode van 12 maanden en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, gezien de urgentie voor de ontwikkeling van de kinderen. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant krijgt de regie over de hulpverlening aan de kinderen en ouders, met bijzondere aandacht voor contactherstel tussen vader en kinderen, ondersteuning van de moeder en het bevorderen van oudercommunicatie.
De beschikking is op 8 december 2023 mondeling gegeven en op 2 januari 2024 schriftelijk vastgelegd. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening, via het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De kinderrechter stelt de vier minderjarigen onder toezicht van Jeugdbescherming Brabant voor 12 maanden met onmiddellijke uitvoerbaarheid.