ECLI:NL:RBZWB:2023:9655

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
10742783 \ VV EXPL 23-38
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van den Boom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEGBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning wegens huurachterstand en oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden

De huurder huurt sinds januari 2021 een woning en is sinds augustus 2022 structureel in gebreke gebleven met huurbetalingen, met een huurachterstand van ruim zeven maanden tot en met november 2023. Partijen maakten betalingsafspraken die niet werden nagekomen, waarna de verhuurder de huurovereenkomst per 1 september 2023 beëindigde met wederzijds goedvinden. De verhuurder vordert ontruiming en betaling van de huurachterstand, boeterente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming te rechtvaardigen. De ontruiming wordt toegelaten met een termijn van 14 dagen na betekening. De vordering tot betaling van de huurachterstand en lopende huur wordt eveneens toegewezen.

De gevorderde boeterente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat de bedingen in de algemene huurvoorwaarden als oneerlijk worden beoordeeld op grond van Richtlijn 93/13/EEG. De boeterente is hoger dan de wettelijke handelsrente en de incassokosten overstijgen de wettelijke staffel. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van huurachterstand, boeterente en incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10742783 \ VV EXPL 23-38
Kort geding vonnis van 28 november 2023
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T. Hovers,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 oktober 2023 met producties,
- de mondelinge behandeling van 14 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Sinds 23 januari 2021 huurt [gedaagde] de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van [eiser] . De huurprijs bedraagt per 1 juli 2023
€ 860,28 per maand. De huurprijs dient [gedaagde] te voldoen voor of op de achtentwintigste dag van de maand voorafgaand aan de periode waarop de betaling betrekking heeft. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (hierna: de huurvoorwaarden) van toepassing. In de huurvoorwaarden is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“(…)
20.2
Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij 1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als een volle maand aangemerkt. (…)
20.4
Ingeval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, worden deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van €. 125,-. Ingeval de buitengerechtelijke incasso door een gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw geschiedt, worden deze bedragen vermeerderd met de door verhuurder aan zijn gemachtigde c.q. raadsman/raadsvrouw over de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde omzetbelasting.
(…)”
2.2.
Op 26 juni 2023 hebben partijen betalingsafspraken gemaakt vanwege de op dat moment bestaande huurachterstand met een totaalbedrag van € 3.562,00. Er is afgesproken dat [gedaagde] € 1.000,00 per vier weken zou betalen aan het einde van elke vier weken, voor het eerst op 14 juli 2023. [gedaagde] heeft de eerste termijn van € 1.000,00 op 21 juli 2023 betaald. Daarna heeft [gedaagde] geen (huur)betalingen meer verricht.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert in kort geding - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
ontruiming van de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.003,12 aan huurachterstand tot en met oktober 2023,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 860,28 per maand vanaf 1 november 2023 tot aan de datum van de ontruiming,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 234,86 aan boeterente,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 900,47 wegens buitengerechtelijke incassokosten,
[gedaagde] te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. De huurovereenkomst is per 1 september 2023 beëindigd. Partijen hebben op 26 juni 2023 betalingsafspraken gemaakt over de op dat moment bestaande huurachterstand. Daarbij is afgesproken dat als [gedaagde] zich niet houdt aan de betalingsregeling, de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt beëindigd met wederzijds goedvinden. [gedaagde] heeft zich niet aan de gemaakte betalingsafspraken gehouden, waarna [eiser] per brief van 31 augustus 2023 het met wederzijds goedvinden eindigen van de huurovereenkomst heeft aangezegd, zodat [gedaagde] sinds 1 september 2023 zonder recht of titel in de woning verblijft. Daarnaast voert [eiser] aan dat [gedaagde] (herhaaldelijk) tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst door de huur niet (volledig) te betalen. Al in het eerste huurjaar waren er betalingsproblemen. Sinds augustus 2022 is er sprake van structurele wanbetaling waarbij de huurachterstand enige tijd rond de twee maanden schommelde. Begin 2023 werd de achterstand gedeeltelijk ingelost, maar vervolgens is er weer een huurachterstand ontstaan. De huurachterstand bedraagt tot en met oktober 2023 bijna 7 maanden. Tot slot stelt [eiser] dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen gelet op de steeds verder oplopende huurachterstand, het ontbreken van enig uitzicht op betaling door [gedaagde] en gelet op het feit dat hij voor de voldoening van zijn eigen verplichtingen jegens derden afhankelijk is van de huurpenningen van de woning.
3.3.
[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd. Op het verweer van [gedaagde] zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Beoordeeld dient te worden of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen en of aannemelijk is dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het - mede gelet op de belangen van partijen over en weer - gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals gevorderd.
4.2.
De spoedeisendheid van de zaak vloeit voort uit het door [eiser] gestelde en is in voldoende mate gebleken. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de huurachterstand alleen maar verder is opgelopen, dat er geen enkel zicht is op betaling door [gedaagde] en dat hij zelf voor de nakoming van zijn eigen verplichtingen afhankelijk is de huurpenningen voor de onderhavige woning.
Huurachterstand en ontruiming
4.3.
[gedaagde] heeft ter zitting de huurachterstand erkend. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van de achterstallige huur van € 6.003,12 tot en met oktober 2023 toewijzen.
4.4.
Voor toewijzing van een ontruimingsvordering in kort geding is vereist dat het hoogstwaarschijnlijk is dat de kantonrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen partijen zal ontbinden op de grond dat de huurder is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De vraag die dus beantwoord dient te worden is of [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en voor zover sprake is van enige tekortkoming, dient te worden beoordeeld of de ernst daarvan een ontruiming met haar gevolgen rechtvaardigt.
4.5.
De kantonrechter overweegt op dit punt als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat [gedaagde] ook de huur over de maand november 2023 niet heeft betaald, zodat vaststaat dat de huurachterstand inmiddels meer dan zeven maanden bedraagt. [gedaagde] komt de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst dus al geruime tijd niet na. Hoewel het positief is dat [gedaagde] schuldhulpverlening heeft benaderd, doet dit niets af aan bestaande huurachterstand. De tekortkoming van [gedaagde] is van voldoende gewicht om in een (eventuele) bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dat betekent dat een vordering tot ontruiming in beginsel toewijsbaar is in dit kort geding. [gedaagde] heeft niet aangegeven wanneer hij de huurachterstand en de lopende huur zal kunnen gaan betalen. Voor [eiser] bestaat er ook geen enkele zekerheid dat [gedaagde] de lopende huur zal betalen. De door [gedaagde] aangevoerde financiële en persoonlijke omstandigheden komen, hoe vervelend ook voor hem, voor zijn rekening en risico. De kantonrechter zal de vordering tot ontruiming van de woning daarom toewijzen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
4.6.
De vordering tot betaling van de huur, dan wel schadevergoeding wegens huurderving, wordt toegewezen vanaf 1 november 2023.
4.7.
In het kader van deze kort geding procedure zal de kantonrechter in het midden laten of de huurovereenkomst al dan niet met wederzijds goedvinden is geëindigd en [gedaagde] derhalve sinds 1 september 2023 zonder recht of titel in de woning verblijft. Indien ervan wordt uitgegaan dat de huurovereenkomst nog voortduurt, levert de forse huurachterstand voldoende reden op om te bepalen dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. Indien ervan wordt uitgegaan dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is geeindigd, verblijft [eiser] zonder recht of titel in de woning en levert die constatering reeds grond op om de veroordeling tot ontruiming van de woning toe te wijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.8.
[eiser] heeft boeterente en buitengerechtelijke incassokosten gevorderd en heeft aan deze vorderingen respectievelijk artikel 20.2 en artikel 20.4 van de huurvoorwaarden (zie onder 2.1. hiervoor) ten grondslag gelegd. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat ten aanzien van deze vorderingen onvoldoende aannemelijk is dat die in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat op de toewijzing van die vorderingen in onderhavige procedure kan worden vooruitgelopen. Omdat [gedaagde] een consument is moet de kantonrechter namelijk ambtshalve onderzoeken of de bedingen die in de tussen partijen gesloten overeenkomst staan, niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/12/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Om de navolgende redenen kunnen die bedingen de toets der kritiek niet doorstaan.
4.9.
De bedingen in artikel 20.2 en 20.4 van de huurvoorwaarden, die geen kernbedingen zijn waarover kennelijk niet afzonderlijk is onderhandeld, vallen onder het bereik van de Richtlijn. Het opleggen van een onevenredig hoge schadevergoeding wegens het niet nakomen van verbintenissen door een consument wordt in de Richtlijn aangemerkt als een oneerlijk beding.
Ten aanzien van de boeterente overweegt de kantonrechter dat een rentebeding als oneerlijk wordt beschouwd als de met de consument overeengekomen rente (zelfs) hoger is dan de wettelijke handelsrente op het moment van aangaan van de overeenkomst. Tijdens het sluiten van de huurovereenkomst bedroeg de wettelijke handelsrente 8%, terwijl de jaarlijkse rente op grond van artikel 20.2 van de huurvoorwaarden 12% bedraagt.
Voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten geldt dat [gedaagde] op grond van artikel 20.4 van de huurvoorwaarden een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten is verschuldigd dan op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Volgens de in het Besluit opgenomen staffel geldt slechts voor de eerste € 2.500,00 aan hoofdsom een percentage van 15% en neemt dat percentage bij hogere bedragen af; ook is het minimale bedrag aan incassokosten € 40,00.
Van een rechtvaardiging voor de hiervoor genoemde verschillen is in deze procedure (voorshands) niet gebleken.
4.10.
Gelet op het hiervoor overwogene worden beide bedingen voorshands als oneerlijk beoordeeld, zodat [gedaagde] daaraan niet is gebonden. De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van die bedingen terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk is (aldus het Hof van Justitie van de Europese Unie in de uitspraak van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68). De Richtlijn heeft immers tot doel te voorkomen dat oneerlijke bedingen worden opgelegd aan consumenten en het zou in strijd zijn met dit doel als een beroep op aanvullende nationaal recht wordt toegestaan, terwijl de algemene voorwaarden op dit punt een oneerlijk beding bevatten. De Richtlijn zou dan niet voldoende afschrikwekkend werken. Dit betekent dat de gevorderde boeterente en buitengerechte incassokosten in onderhavige procedure niet worden toegewezen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is de partij die grotendeels ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,86
- griffierecht
244,00
- salaris gemachtigde
529,00
- nakosten
131,00
Totaal
1.033,86
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] (kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] ), met het zijne en de zijnen te ontruimen, onder afgifte van alle in omloop zijnde sleutels, leeg, bezemschoon, in goede staat, aan [eiser] ter vrije beschikking te stellen en vervolgens ontruimd en verlaten te houden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.003,12 aan achterstand (huur en/of gebruiksvergoeding) tot en met oktober 2023,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 860,28 per maand, althans een bedrag gelijk aan de laatst geldende huursom per maand, vanaf 1 november 2023 tot aan de datum van de algehele ontruiming,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.033,86, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.