ECLI:NL:RBZWB:2024:1012

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
AWB- 24_1024 VV en AWB- 24_1025
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking beroep bijzondere bijstand OV-kaart

Verzoeker heeft op 22 januari 2024 beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor een OV-kaart. Tegelijkertijd vroeg verzoeker om een voorlopige voorziening.

Het college wees verzoeker bij besluit van 30 januari 2024 op de afwijzing van de aanvraag bij besluit van 2 januari 2024 en kende een dwangsom van €460 toe. Vervolgens trok verzoeker bij brief van 31 januari 2024 het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in, met het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat op grond van de Awb het college in de proceskosten moet worden veroordeeld, vastgesteld op €875 voor de beroepsmatige rechtsbijstand. Het griffierecht wordt door het UWV vergoed, zodat hiervoor geen veroordeling nodig is. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 20 februari 2024.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van €875 aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het beroep en voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/1025 PW en BRE 24/1024 PW VV

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom(het college), verweerder.

Inleiding

1. Op 22 januari 2024 heeft verzoeker bij de rechtbank beroep ingesteld omdat het college niet tijdig zou hebben beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor een openbaar vervoer (OV) kaart.
1.1
Verzoeker heeft ook op 22 januari 2022 aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2
Het college heeft bij besluit van 30 januari 2024 verzoeker erop gewezen dat op zijn aanvraag voor bijzondere bijstand bij besluit van 2 januari 2024 is afgewezen. Voorts heeft het college bij het besluit van 30 januari 2024 een dwangsom toegekend van € 460,-.
1.3
Bij brief van 31 januari 2024 heeft verzoeker het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2.1
Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
2.2
Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). Omdat het beroepschrift nagenoeg gelijkluidend is aan het verzoekschrift en deze schriften gelijktijdig zijn ingediend, ziet de rechtbank geen aanleiding om voor het indienen van het verzoekschrift een afzonderlijke vergoeding toe te kennen.
2.3
De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 51,- per procedure aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier op 20 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).