Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De overwegingen omtrent het beslag.
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 25 augustus 2023 ontstond een conflict waarbij verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag door met een hamer op het hoofd van het slachtoffer te slaan. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verdachte zelf, alsmede medisch bewijs, en stelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op overlijden aanvaardde.
De verdediging betoogde dat verdachte niet met de hamer heeft geslagen, maar dat het slachtoffer tegen de hamer is aangelopen, wat de wond veroorzaakte. Ook stelde zij dat de kracht van de slag onduidelijk was en de wond oppervlakkig was.
De rechtbank oordeelde dat er te veel twijfel bestond over het feit of verdachte daadwerkelijk met de hamer op het hoofd van het slachtoffer had geslagen. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig, vooral gezien het feit dat verdachte zijn rechterarm niet krachtig kon gebruiken en de hamer dus waarschijnlijk in zijn linkerhand had. Het medisch bewijs kon niet uitsluiten dat de wond door een botsing met de hamer was ontstaan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs dat hij met een hamer op het hoofd van het slachtoffer sloeg.