Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
als we gaan starten geven we dit vooraf aan”
4.Het geschil
5.De beoordeling
ettelijke rente
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten een aanneemovereenkomst voor de verbouwing van een woning, waarbij de opdrachtgever de overeenkomst beëindigde. De kernvraag was of sprake was van ontbinding of opzegging en of de vergoeding van 10% van de aanneemsom volgens artikel 14.5 AVA 2013 verschuldigd was.
De kantonrechter stelde vast dat een rechtsgeldige overeenkomst tot stand was gekomen, ondanks het ontbreken van een concrete start- of opleverdatum. Er was geen sprake van dwaling omdat de opdrachtgever op de hoogte was van mogelijke vertragingen en wachtrijen. De opdrachtgever had de aannemer een termijn gesteld voor nakoming, maar deze was niet redelijk, waardoor geen verzuim en dus geen ontbinding was.
De beëindiging door de opdrachtgever werd daarom als opzegging aangemerkt, waardoor de aannemer recht had op de vergoeding van 10% van de aanneemsom. Dit beding werd niet onredelijk bezwarend bevonden, mede omdat het overeenkwam met de wettelijke regeling en de aannemer voldoende aannemelijk had gemaakt dat dit bedrag een redelijke vergoeding was voor gederfde winst en gemaakte kosten.
De opdrachtgever werd veroordeeld tot betaling van € 13.527,50 plus wettelijke rente vanaf 14 maart 2023 en de proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens ontbreken van bewijs van een correcte sommatie.
Uitkomst: De opdrachtgever is veroordeeld tot betaling van 10% van de aanneemsom plus rente wegens opzegging van de aanneemovereenkomst.