Belanghebbende is eigenaar van een geschakelde bungalow uit 1997 in Tilburg, waarvan de WOZ-waarde op 1 januari 2021 is vastgesteld op €445.000. Tegen deze waardebepaling en de daarop gebaseerde aanslag OZB is beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix, waarin vergelijkbare woningen in de buurt zijn meegenomen en correcties zijn toegepast voor verschillen in voorzieningen en oppervlakte.
Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was, mede vanwege de nabijheid van een basisschool en kinderopvang die overlast zouden veroorzaken. De rechtbank oordeelt echter dat deze subjectieve elementen geen waardevermindering rechtvaardigen. Ook is vastgesteld dat de gevraagde stukken tijdens de bezwaarprocedure zijn verstrekt, zodat geen schending van de informatieplicht heeft plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn niet is overschreden.