Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning uit 1991, gelegen aan een adres te Tilburg, met een waardepeildatum van 1 januari 2021. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €280.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2022 opgelegd. Het bezwaar werd ongegrond verklaard waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de waarde vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken werden gebruikt. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van december 2023. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat er op correcte wijze rekening was gehouden met verschillen in perceelgrootte en woningtype.
Belanghebbende stelde dat een referentiewoning een hoekwoning was met een groter perceel, wat een correctie zou vereisen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar dit voldoende had verwerkt via grondstaffels. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en OZB-aanslag gehandhaafd.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn van twee jaar niet was overschreden en wees het verzoek af. Partijen ontvangen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.