Uitspraak
1.Het nadere procesverloop
2.De nadere feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
[datum] 2023 te [uur], in het gerechtsgebouw te Breda, aan de Stationslaan 10;
’s-Hertogenbosch.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 februari 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De minderjarigen waren reeds op 31 januari 2024 met spoed onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een crisispleeggezin vanwege vermoedens van mishandeling en huiselijk geweld.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de ouders, de Raad, de gecertificeerde instelling en de minderjarige gehoord. Er is onenigheid over de feiten; de moeder en stiefvader ontkennen mishandeling, terwijl de Raad en gecertificeerde instelling ernstige zorgen uiten over de emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen. Het onderzoek door een vertrouwensarts toonde zichtbaar letsel en meldingen van fysieke mishandeling.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende ernstige zorgen blijven bestaan en dat het noodzakelijk is de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegekend voor een kortere periode dan verzocht, met het oog op nader onderzoek naar de beste verblijfplaats, waaronder terugkeer naar de ouders, netwerkplaatsing of plaatsing bij de vader.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen.
Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd, waarbij de uithuisplaatsing voor een kortere periode wordt toegestaan.