ECLI:NL:RBZWB:2024:1293
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1933 met een oppervlakte van 74 m² en een aanbouw en berging op een perceel van 148 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2021 vast op €269.000 en legde gelijktijdig aanslagen OZB en watersysteemheffing op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de aanslagen, stellende dat de waarde maximaal €222.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde is vastgesteld door vergelijking met referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar zijn.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix opgesteld door een taxateur, waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen. Belanghebbende erkende de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen, maar voerde inconsistenties aan in de waardebepaling. De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de taxatiematrix een overtuigend en consistent bewijs vormt.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag watersysteemheffing bleef buiten beschouwing omdat daartegen geen gronden waren aangevoerd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €269.000 gehandhaafd.