ECLI:NL:RBZWB:2024:1294
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1956 met een oppervlakte van 78 m², inclusief aanbouw en garage, gelegen op een perceel van 148 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €173.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2022 op.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de WOZ-waarde en stelde dat de waarde maximaal €141.000 zou moeten zijn. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar een taxatierapport overlegde met referentiewoningen die vergelijkbaar zijn met de woning.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende bracht geen concrete juridische gronden aan tegen de gehanteerde referentiewoningen of de wijze van waardebepaling, en ook het eigen woningwaarde-rapport vermeldde geen relevante erfdienstbaarheden.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, handhaaft de WOZ-waarde en de aanslag OZB, en wijst zij het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde en aanslag blijven gehandhaafd.