Belanghebbende is eigenaar van een hoekappartement uit 2016 met een oppervlakte van 70 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €265.000 en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde dat de waarde maximaal €248.000 bedraagt.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde juist was. De gehanteerde indexering op basis van de verkoopprijs van een buurpand werd afgewezen vanwege onvoldoende vergelijkbaarheid en gebrek aan onderbouwing van objectkenmerken. Belanghebbende bood ter zitting aanvullend bewijs aan, maar dit werd afgewezen wegens te late indiening.
Omdat geen van beide partijen een overtuigende waardeaanduiding kon leveren, stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €260.000. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 28 februari 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.