ECLI:NL:RBZWB:2024:1307

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
C/02/417528 / JE RK 23-2296
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
  • Holierhoek
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 februari 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De minderjarigen verblijven sinds december 2021 in een gezinshuis op grond van eerdere maatregelen die steeds zijn verlengd.

De ouders zijn het eens met de verlenging, waarbij de moeder graag contact wil met de gezinshuisouders. De Raad voor de Kinderbescherming heeft mondeling ingestemd met het verzoek, hoewel een schriftelijk advies ontbreekt. De rechtbank acht verlenging noodzakelijk voor continuïteit en rust voor de kinderen, die het goed maken in het gezinshuis.

Gezien de lopende procedure over beëindiging van het ouderlijk gezag, wordt de verlenging voorlopig toegekend tot 26 maart 2024, met een pro forma aanhouding van het resterende verzoek. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de ontwikkeling van de minderjarigen niet te belemmeren.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 26 maart 2024 met instemming van ouders en Raad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/417528 / JE RK 23-2296
Datum uitspraak: 16 februari 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. van Steenberge te Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 28 december 2023;
  • de pleitnota van mr. Kouijzer zoals overgelegd tijdens de mondelinge behandeling;
  • de pleitnotitie van mr. Van Steenberge zoals overgelegd tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2024, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag (bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/415337 / FA RK 23-5026). Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn getrouwd geweest. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 26 november 2021 voorlopig onder toezicht gesteld en heeft hen bij deze beschikking uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 18 februari 2022 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld en is er een machtiging tot uithuisplaatsing van hen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. Sindsdien zijn de maatregelen steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 21 februari 2023 en tot 26 februari 2024.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging sinds december 2021 in het huidige gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat de doelen nog niet zijn behaald. Op 22 november 2022 heeft de GI het perspectiefbesluit genomen dat de kinderen zullen opgroeien in het huidige gezinshuis. Wegens de persoonlijke problematiek van de ouders, het eerdere emotioneel en fysiek afwezig zijn van de ouders en de onvoorspelbaarheid daarin, heeft de GI bij de Raad een verzoek tot onderzoek naar een verderstrekkende maatregel ingediend. Omdat een beslissing op het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag waarschijnlijk niet voor het aflopen van de huidige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zal plaatsvinden, is een verlenging van de maatregelen noodzakelijk om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de zekerheid te geven dat zij mogen opgroeien in het huidige gezinshuis.
4.2.
De vader refereert zich ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De kinderen zijn nu op een goede plek en het belang van de kinderen staat voor de vader voorop.
4.3.
De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Zij begrijpt het verzoek hiertoe en ziet in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet thuis komen wonen. Het gezinshuis is goed voor hen. Wel zou zij graag contact willen kunnen hebben met de gezinshuisouders. Dat was voorheen ook zo.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. In artikel 1:265b lid 1 BW staat dat de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er geen schriftelijk advies van de Raad bij het verzoek van de GI is gevoegd. Op grond van de wet moet de Raad een advies uitbrengen over een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing als deze maatregelen al twee jaar of langer hebben geduurd (artikel 1:265j lid 3 BW). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad ingestemd met het verzoek van de GI. Deze mondelinge instemming volstaat voor de rechtbank, waardoor op grond van de hierna te noemen bevindingen een gemotiveerde beslissing kan worden genomen op het verzoek.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gelijktijdig met het onderhavige verzoek is het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders mondeling behandeld. Op het verzoek van de Raad zal uiterlijk 19 maart 2024 in een andere beschikking worden beslist. In afwachting van deze beschikking acht de rechtbank een verlenging van de maatregelen van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de continuïteit en rust voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken het goed in het gezinshuis, zoals beide ouders beamen, en het is in hun belang dat zij daar kunnen blijven. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat de GI betrokken blijft. Gelet hierop zal de rechtbank de maatregelen met instemming van de ouders verlengen voor de duur van een maand, te weten tot 26 maart 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De rechtbank zal op uiterlijk 19 maart 2024 ook een nadere beschikking geven over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
5.4.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 26 maart 2024;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 maart 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot
19 maart 2024 pro forma.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2024 door mr. Dijkman, voorzitter, mr. Holierhoek en mr. Hendriks, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. K.M.P. van Ginneke als griffier, en op schrift gesteld op 27 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.