De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 februari 2024 uitspraak gedaan in een zaak over het gezamenlijk ouderlijk gezag over een minderjarig kind geboren in 2021. De man had verzocht om gezamenlijk gezag te verkrijgen, waarbij de vrouw haar verweer tegen dit verzoek introk. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd en het dossier bevatte diverse stukken waaronder eerdere beschikking en correspondentie.
De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dat er geen belangen zijn die zich verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. De geplande mondelinge behandeling werd daarom doorgehaald en de zaak schriftelijk afgedaan. De rechtbank besloot dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over het kind zullen uitoefenen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe werking te garanderen in het belang van het kind, zonder af te wachten op een eventueel hoger beroep. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.